“Afscheid nemen van het project van het modernisme, afscheid van de ontsnapping aan de natuur. Een taak die voor iedereen is weggelegd.”

WAT BETEKENT OIKOFOBIE?

De oikos als habitat in plaats van eigenheid

Aetzel Griffioen

Aetzel Griffioen (1981) is hoofdontwikkelaar en docent bij Rotterdam Vakmanstad. Als filosoof onderzoekt hij gemeenschappelijke welvaart, duurzaamheid en ecosofie en doceert hij freelance aan universiteit en hogeschool. Hij behaalde zijn MA aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (cum laude), won in 2013 de Van Praag Aanmoedigingsprijs voor zijn combinatie van praktijk en onderzoek en publiceerde eerder in onder meer Volume, Krisis, Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte, O-Zone en Jaarboek Kritiek.

“Natural equilibriums will be increasingly reliant upon human intervention”

Félix Guattari, The three ecologies[1]

Inleiding

Ecologie past ons niet, zegt de conservatieve historicus en jurist Thierry Baudet. Volgens hem is het een teken van een politieke geestesziekte: ‘oikofobie’ of de afkeer van het eigene. Met het verschijnen van zijn boek Oikofobie[2] heeft deze opvatting zich in het publieke debat weten te nestelen. Vooral in sociale media en online reacties op nieuwsfora is het een veelgehoorde beschuldiging. Waarschuw je voor klimaatopwarming? Dan ben je oikofoob. Ben je tegen institutioneel racisme? Een oikofoob. Wil je rauwmelkse kazen verbieden? Oikofoob. Hetzelfde geldt voor moderne kunstenaars, tegenstanders van Fort Europa én Europese politici. Ook al hebben ze niets gemeen, allemaal zouden ze een hekel hebben aan ‘het eigene’ van de mens. Baudet en zijn leermeester Roger Scruton laten echter consequent na te definiëren wat ‘het eigene’ is. Oikofoob is een bijna universeel toepasbaar scheldwoord geworden, maar wat wil de oikofiel die zegt ‘het eigene’ te willen beschermen?

Zolang Baudet en Scruton afgeven op de vage vijand die zij aanroepen met de oikofobie lijkt hun boodschap helder. Zodra we echter proberen te begrijpen wat ‘het eigene’ inhoudt als een positieve richting voor het conservatisme, blijkt die boodschap te verbleken. Het doel van deze tekst is dan ook de ontmaskering van de oikofilie als een antidemocratisch project dat een politieke wending naar de ecologie tegenhoudt. Dat bereiken we via een kritiek van Baudets en Scrutons theoretische onderbouwingen van het conservatisme en de oikofilie. Gaandeweg valt het woord oikofobie uiteen in drie aparte betekenissen, waarvan de twee meest problematische eerder op Baudet en Scruton zelf blijken te slaan dan op hun tegenstanders. De oikos, gezien als habitat in plaats van het eigene, doet bovendien Scrutons uitspraak ‘conservatism and environmentalism are natural bedfellows’[3] teniet. Het conservatisme zoals Scruton en Baudet dat zien heeft niets te maken met ecologie.

 

Conservatieve oikofobie

We beginnen bij de herkomst van het concept oikofobie. Baudet wil het eigene van de (West-Europese) mens beschermen tegen invloeden van buitenaf en tegen aanvallen op zijn levensstandaard van binnenuit. Onder de externe invloeden rekent hij vooral immigratie. De interne invloeden kunnen we samenvatten als perverteringen van het moderne vooruitgangsideaal onder de vlag van natiestaat en industrie. Deze uitgesproken politieke voorkeuren maken het des te opmerkelijker dat Baudet het fundament van zijn ideologie niet sluitend definieert. Kennelijk beschouwt hij het als vanzelfsprekend, als een helder en welonderscheiden begrip. ‘De Oikos wordt stukgemaakt door verschillende fenomenen,’ zegt hij. Het multiculturalisme, open grenzen en jaarlijks tienduizenden immigranten zouden de sociale eenheid ondermijnen. Van boven holt de EU de nationale soevereiniteit uit en schuren moderne en postmoderne elitekunsten in tegen de menselijke sensibiliteit. Allen bedreigen zij volgens Baudet de geborgenheid van het eigene. Ze leiden tot een ‘wereld zonder thuis’[4] die het zelfbeschikkingsrecht van de lokale bevolking negeert. Maar wat het eigene of het huis precies is, wordt noch in zijn boeken, noch in het publieke debat duidelijk.

Scruton, Baudets inspirator en copromotor, heeft het woord oikofobie als eerste gebruikt om de zogenaamd alomtegenwoordige bedreiging van het eigene aan te kaarten. Hij legt uit dat het woord in de literatuur twee herkomsten heeft. Op de eerste plaats gaat het om een psychische aandoening. Deze klinische betekenis, al zegt hij het zelf, duidt een angststoornis aan in verband met de huiselijke omgeving. Een patiënt met deze angststoornis lijdt aan een fobie voor de oikos. In 1808 gebruikt de Engelse auteur Robert Southey het woord voor het eerst als een literaire metafoor om er de haast onbedwingbare neiging tot reizen van de Engelse edelen mee aan te duiden: ‘The English migrate as regularly as rooks’.[5] Dat kosmopolitisme is de tweede historische betekenis van het woord oikofobie. Scruton trekt de psychologische afwijking en de reislust samen en zo herdefinieert hij oikofobie als een categorische ‘afwijzing van afkomst en thuis’.[6] Hij zet deze betekeniswijziging in als polemisch wapen tegen de afkalving van de nationale identiteit van Engeland, die hij betreurt. Zo leren we dat het eigene in oikofobie nauw samenhangt met etniciteit. Oikofoben, aldus Scruton, verzwakken bijvoorbeeld de Engelse eigenheid, wat ertoe heeft geleid dat niet de Engelsen meer soeverein kunnen beslissen over hun ‘eigen’ zaken.

“The English … are ruled from Westminster by a government composed largely of Scots, and by parliamentarians who do not hesitate to vote on English issues even when they represent Welsh or Scottish constituencies.”[7]

Dit verlies van soevereiniteit komt niet voort uit haat of uit een actieve drang om de Engelsen te kleineren, aldus Scruton, maar uit een irrationele angst. Een pathologie. Vandaar zijn verwijzing naar het klinische gebruik van het woord oikofobie als een psychische stoornis. Hij ontzenuwt eerst de oude betekenis, door te zeggen dat ieder mens een angst voor huiselijkheid doormaakt. Het is geen werkelijke fobie, maar een stadium ‘through which the adolescent mind normally passes’. Sinds de jaren ’60 is oikofobie echter niet altijd meer van voorbijgaande aard: ‘it is a stage in which some people – intellectuals especially – tend to become arrested’.[8] Hij noemt de oikofoben in het Britse Parlement vanwege dit steken blijven dan ook spottend ‘oiks’, wat qua klank en inhoud zoiets betekent als ‘tokkies’.

“The domination of our own national parliament by oiks, as we might call them, is partly responsible for the assaults on our constitution, for the acceptance of subsidised immigration, and for the attacks on customs and institutions associated with traditional and native forms of life.”[9]

Oikofobie betekende voor Southey een hevige reislust die rijke Engelsen ‘van nature’ bezitten. Als het al een ziekte is, is het er een uit liefhebberij. Scruton maakt er met een creatieve ingreep, ‘stretching the Greek a little’,[10] een permanent pathologische afkeer van huis en haard van. De betekenis van oikofobie is, via een literaire metafoor voor reislust en een algemene fase van de adolescentie, veranderd van een psychologische stoornis in een permanente culturele ziekte. Baudet importeert die vervolgens als ‘haat van het eigene’[11] naar Nederland. Southey schaamt zich nog enigszins voor zijn aandoening van vrolijke rusteloosheid. Met een glimlach zegt hij het zelfs te betreuren dat er geen remedie lijkt te zijn. Baudet en Scruton zoeken helemaal geen medicijn. Oikofoben, eigenhaters, zijn niet te genezen. Hun ziekte is permanent en in die zin ligt er ook permanent de bedreiging van schade aan het eigene op de loer. Scruton en Baudet bestrijden oikofobie en oikofoben dus omdat zij niet het eigene, maar de oikofielen zouden bedreigen.

 

Oikos: gemeenschappelijkheid in plaats van eigenheid

Oikos staat niet alleen voor eigenheid. Het is ook de basis van het woord economie. De economie is de wet (nomos) van het huishouden (oikos). Baudet verkent dit gegeven niet, maar geeft er wel gevolg aan. Gelijk met het eigene benadrukt hij de waarde van markten, handel en bedrijvigheid die niet gehinderd wordt door milieuwetgeving. De verhouding tussen zijn idee van eigenheid en de markt is niet eenduidig positief, maar Baudet neigt ernaar om mislukte marktwerking vooral te wijten aan een teveel aan overheidsinmenging. Daarmee bedoelt hij bemoeienis van oikofoben op overheidsposities. Scruton stemt in: markten zijn ‘self-correcting social systems, which can confront and overcome shocks from the outside’.[12] Het zijn bovendien niet zomaar zelfcorrigerende systemen, want ze werken beter dan overheden. Daarom is hij tegen overheidscontrole op oliemaatschappijen. Markt en overheid moeten ook gescheiden blijven omdat de overheid anders zowel de vervuiler als de wetgever en controlerende instantie is. Nu kan de overheid met wetten paal en perk stellen aan de bedrijven. Maar zichzelf inperken, dat zou teveel gevraagd zijn. Deze opvatting van marktsystemen hangt sterk samen met de conservatieve opdracht om de sociale werkelijkheid, ‘de sociale ecologie’ te beschermen.[13] Dat noch Scruton, noch Baudet de moeite hebben genomen om de etymologische wortels van het woord oikofobie te verkennen, is dan ook niet alleen een gemis, het is een bewuste keuze. Want niet alleen eigenheid, staatshuishouding, bedrijfshuishouding en financiële economie zijn zeker van oikos afkomstig – het woord ecologie is dat ook. Scruton interpreteert ecologie vooral als gemeenschap, als sociale ecologie. Maar de logos, het ordenend principe of gewoon het verhaal[14] van de oikos gaat eerst over natuurwetten. Scrutons opvatting van die natuurwetten, met name entropie, is al net zo verheven als zijn ‘sociaal’-ecologische opdracht.

Scruton noemt zijn gebruik van het woord oikos toegeeflijk ‘het Grieks wat oprekken’. Daar heeft hij een punt. Want als we het belangrijkste woordenboek van het Oudgrieks erbij pakken (geschreven door de vader van Alice Liddell, voor wie Lewis Carroll Alice in Wonderland schreef) dan zien we dat oikos veel betekenissen heeft die voorgaan op het eigene. Oikos, ‘οἶκος , ὁ’ in het Grieks, betekent hoofdzakelijk: huis, elke willekeurige verblijfplaats, tent; kamer, eetkamer, thuis, tempelkamer; gemeenschappelijk gebouw; vogelkooi, bijenkorf; en planeet. Afgeleide betekenissen zijn: huishoudelijke goederen; huiselijk; en koningshuis.[15] En in een heel andere bron, de Bijbel, lezen we dat Scruton niet de enige is die woordgrapjes maakt met de stam ‘oik-’ van het woord oikos.[16] De apostel Paulus (of een van zijn directe volgelingen, er is onenigheid over de echte schrijver) lardeert er zijn tweede brief aan de Efeziërs mee. Hij begint met een algemene inleiding over Gods besluit om met de komst van Jezus de ‘voltooiing (oik-onomian) van de tijd’ te voltrekken.[17] Daarna wendt Paulus zich echt tot de Efeziërs met de woorden:

“Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten (par-oik-ioi) meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten (oik-eioi) van God, gebouwd (ep-oik-odomethentes) op het fundament van de apostelen en profeten, met Jezus Christus zelf als de hoeksteen. Vanuit hem groeit het hele gebouw (oik-odomē), steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd (sun-oik-odomeisthe) wordt tot een plaats (kat-oik-eterion) waar God woont door zijn Geest.”[18]

Scruton noemt de oikofoben oiks, tokkies of domoren. Dit werkt omdat het woord oik toevallig in het Engels bestaat. Scruton wil de oikos, ‘het eigene’ of ‘huis en afkomst’ verdedigen tegen de oiks, de oikofoben. Paulus gebruikt het woord juist om aan de Efeziërs te benadrukken dat je hard moet blijven werken om iets op te bouwen in de wereld. Scruton verdedigt een al bestaande, maar vrij abstracte gemeenschap en een a priori eigenheid, Paulus legt de nadruk op de opbouw van een nieuwe gemeenschappelijkheid.[19]


Scrutons begrip van sociale ecologie

Een gemeenschap opbouwen op basis van vriendschap is een fundamenteel ander project dan een gemeenschap of een vermeende eenheid te beschermen op basis van ideeën van verwantschap en toebehoren. In een gemeenschap van vrienden wenden de deelnemers hun energie aan om iets nieuws te beginnen. De tweede gemeenschap gebruikt zijn energie om een stasis te behouden. Ook het doel, verhaal of ordenend principe, dus de logos, is anders. De vrienden kunnen hun vriendschap als doel hebben, maar de vriendschap komt tot uiting in iets wat buiten henzelf ligt. De verwanten kunnen dat natuurlijk ook doen, maar een gemeenschap die als doel heeft een verwantschap te organiseren is gericht op zichzelf. De eerste is opener dan de tweede.

Scrutons beschrijving van zijn sociale ecologie is een perfect voorbeeld van een op zichzelf gerichte sociale orde:

“Conservatism, as I understand it, means the maintenance of the social ecology. It is true that individual freedom is a part of that ecology, since without it social organisms cannot adapt. But freedom is not the only goal of politics. Conservatism and conservation are two aspects of a single long-term policy, which is that of husbanding resources and ensuring their renewal. … ”[20]

Uit deze panische passage spreekt een diep bewustzijn van de kwetsbaarheid van het leven, en in het bijzonder van het menselijk bestaan – tenminste, van de Noordwestelijke gemeenschappen waar hij zich mee identificeert. Zijn oplossing om met markten als de sterke sociale systemen gemeenschappen te schragen omdat zij zwakkere sociale systemen zijn, houdt geen enkele rekening met de ravage die globale markten aanrichten in hun wingebieden in de rest van de wereld. Maar naast deze grove omissie speelt er nog iets. Scruton zegt dat hij het leven van (Noordwestelijke) gemeenschappen op de lange termijn wil beschermen. Daartoe ziet hij het als een absolute noodzaak om de hulpbronnen en hun hernieuwing te blijven garanderen. Wij zijn gewend om bij die woorden te denken aan zaken als hernieuwbare energiebronnen en aan het gevaar van uitputting van natuurlijke hulpbronnen. Dat is echter niet waar Scruton voornamelijk op doelt:

“ … These resources include the social capital embodied in laws, customs and institutions; they also include the material capital contained in the environment, and the economic capital contained in a free but law-governed economy. … ”[21]

Hulpbronnen ziet hij vooral als sociale structuren. Het gaat ook om natuurlijke hulpbronnen in het milieu en om financiële reserves, maar het behoud van sociaal kapitaal van gemeenschappen, relaties, de wet, traditie en instanties gaat voor. Of beter, dat sociale kapitaal behouden is het ordenend principe achter zijn conservatisme. Daarom heeft hij ook een heel specifieke opvatting van politiek:

“ … According to this view, the purpose of politics is not to rearrange society in the interests of some over-arching vision or ideal, such as equality, liberty or fraternity. It is to maintain a vigilant resistance to the entropic forces that threaten our social and ecological equilibrium. The goal is to pass on to future generations, and meanwhile to maintain and enhance, the order of which we are the temporary trustees.”[22]

Entropie, de tweede wet van de thermodynamica, waar Scruton hier aan refereert, zegt dat alle systemen in de loop der tijd chaotischer worden. Deze wet biedt bijvoorbeeld een verklaring waarom een ijsklontje dat smelt in een glas niet meer terug verandert in ijs. In principe zouden watermoleculen zich zo kunnen rangschikken in het glas dat ze weer een ijsklontje zouden vormen. Maar als het ijsklontje terugkomt, dan is het systeem in het glas minder chaotisch geworden. Statistisch gezien is dat vrijwel onmogelijk. Daarom noemt men entropie ook wel het voortschrijden van de tijd. Wie een nieuw ijsklontje wil, kan maar beter naar de ijskast lopen om er een te halen. Dat ijsklontje is koud doordat de vriezer elektriciteit heeft gebruikt om het te maken. De vriezer heeft daarmee meer calorische warmte toegevoegd aan de atmosfeer in huis dan dat het ijsklontje kan afkoelen. Dus het is mogelijk om het lokale systeem van het glas te verkoelen, het geordender te maken. Maar de kamer, met daarin de vriezer en het glas, wordt daardoor juist ietsje warmer, iets chaotischer dan wanneer er geen ijsklontje gemaakt was. Scruton kiest er echter voor om deze onomstotelijke waarheid anders uit te leggen.

“[A]s thermodynamics also teaches us, entropy can be countered indefinitely at the local level by injecting energy and exporting randomness. Conservatism emphasizes historical loyalties, local identities and the kind of long-term commitment that arises among people by virtue of their localized and limited affections. While socialism and liberalism are inherently global in their aims, conservatism is inherently local: a defence of some pocket of social capital against the forces of anarchic change. And it is precisely this local emphasis that uniquely suits conservatism to the task of addressing environmental problems.”[23]

Hieraan kunnen we zien dat Scruton eigenlijk alleen nadenkt over sociale systemen. Politiek is in zijn opvatting sociale planning tegen verandering. En de verandering die hij vreest, de enige verandering die hij mogelijk acht, is sociale verandering. Dat is wat hij impliceert met de stelling dat lokale entropie voor eeuwig kan worden tegengegaan ‘by injecting energy and exporting randomness’: door energie te injecteren en zo de chaotische neigingen van het kleine systeem naar buiten te stoten. Het lokale sociale systeem heeft energie nodig om zichzelf te beschermen tegen verandering. Omdat we het over sociaal kapitaal hebben, is die energie ook sociaal van aard. Maar sociale energie teert op biofysische energie. Zonder wat eten, water en warmte houdt het op. Om een sociaal systeem in een gewenste toestand te kunnen houden moet er dus biofysische energie aan toegevoegd worden. En biofysische energie, zeker warmte-energie, houdt zich niet aan een regio. Wat we lokaal verbranden, heeft entropische invloed op het globale systeem. En aangezien het globale systeem niet oneindig is, komt globale entropische verandering altijd terug bij lokale systemen.

Scruton ontkent dit ecologische principe van feedback. En daarmee gaat zijn theorie over natuurbescherming overhoop. Zijn voorstelling van zaken kan alleen waar zijn als de buitenwereld oneindig groot zou zijn. Alle chaotische energie die een klein sociaal systeem naar buiten exporteert om niet te hoeven veranderen, komt immers ergens terecht. Alleen als de buitenwereld oneindig groot is, hoeft de chaotische energie niet op een gegeven moment terug te keren naar het kleine, lokale systeem. Om het voorbeeld van het ijsklontje weer te gebruiken: altijd ijsklontjes maken om glazen, lokale systemen, voor eeuwig te kunnen koelen zal de temperatuur van de kamer langzaam maar vast doen stijgen. Er komt een moment dat het zo warm is geworden dat de vriezer er niet meer tegenop kan koelen. De vriezer breekt en de glazen worden net zo warm als de kamer – die nu warmer is dan voordat we begonnen met koelen. De analogie met klimaatverandering laat zich raden en de oikos biedt nu ook een duidelijke opening naar een ecologie waar sociale systemen slechts een deel van zijn in plaats van het geheel. Oikos duidt geen eigenheid aan, maar een habitat.[24] Het huis en de meest intieme eigenheid maken er onderdeel van uit, maar de habitat herbergt net zo goed elementen die ons vreemd zijn.

 

Heemvrees

We zijn over het algemeen beter in het opmerken van sociale verandering dan van verandering in de natuur. De natuur verandert of heel snel, zoals bij de Tweede Maasvlakte; of heel langzaam, zoals de bijensterfte; of onzichtbaar, zoals de samenstelling van de atmosfeer. Alleen in een tuin of een stuk land waar we vaak komen, merken we zelf veranderingen op. Die veranderingen zijn over het algemeen cyclisch van aard. Ze worden jaar in, jaar uit bepaald door de seizoenen. Een harde breuk, een evolutie, of een radicale omslag komen veel moeilijker bij ons binnen. Die moeten we mediëren: over langere tijd observeren en bijhouden, meten en modelleren. En dat gebeurt vooral in de wereld van wetenschappers, beleidsmakers en beursanalisten. Het komt niet vaak op het nieuws, in tegenstelling tot sociale veranderingen. Want daar komen we direct mee in aanraking op straat, op het werk of op school.

Conservatieven zoals Baudet en Scruton richten zich alleen op die sociale verandering. Elke verandering die een lokaal systeem minder homogeen of beweeglijker maakt is per definitie een verslechtering. Daarom geven zij de bescherming, de conservatie van ‘de sociale ecologie’ een absolute voorrang op de bescherming van ecosystemen. Sociale systemen zijn volgens hen kwetsbaarder dan de ecosystemen. En de vraag of dat waar is, is eigenlijk minder interessant dan de vraag waarom zij dat denken. In de volgende paragraaf gaan we daarom verder in op werkelijke kenmerken van ecosystemen. Nu gaat het erom een beter inzicht te krijgen in het conservatieve project van sociaal behoud. Zijn het gewoon aristocraten die verlangen naar de landerijen en de jacht? Op het eerste gezicht kunnen we haast niet anders vermoeden. Scruton noemt de Engelse glooiende heuvels constant. En de enige poging tot het beschrijven van een natuurervaring die Baudet waagt in Oikofobie is, hoe kan het ook anders, een beschrijving van een jachtexcursie. Niet gespeend van ironie versterkt de jonge conservatief juist door die ironie de karikatuur van zijn ervaringen en overpeinzingen bij het vroege opstaan, de dauw, het landschap, de spanning, de camaraderie en de bloedlust.

Het past bij de meer buitenissige uitspraken waaraan vooral Baudet zich bezondigt. Zo meent hij niet alleen dat ‘nationalisme de kracht [is] die democratie mogelijk maakt’.[25] Ook beweert hij dat, omdat fascisme en nazisme gericht waren op Europese eenwording, elke poging tot Europese eenwording ‘leidt tot oorlog’.[26] Hij vergeet voor het gemak dat die eenwording moest plaatsvinden onder een zuiveringsprogramma dat gericht was op Lebensraum, wat natuurlijk een interessant begrip is voor iemand die zijn oikos wil reclaimen.

Bewijs voor zijn stelling dat de bevolking niet tevreden is met de EU, het Internationaal Strafhof en het Internationaal Monetair Fonds vindt hij in de burgermilities die de Griekse straten afstropen en in de knoflooklandenhaat bij ons. Hij laat buiten beschouwing dat die milities ten tijde van zijn schrijven de expliciet fascistische, zeer gewelddadige Gouden Dagenraad waren en dat de knoflookhaat het hatelijke kroost is van de Wilders van Minder. Hier vinden we een invulling van de oikofobie die onder Baudets definitie van ‘vrees voor het eigene’ een hol vat is gebleven. De oikos neemt hier de vorm van de Heimat En al is het omdat het moederland per definitie in het verleden is gesitueerd, die thuisgrond of dat heem wordt permanent bedreigd. Die permanente bedreiging geeft aanleiding voor een invulling van oikofobie als heemvrees.

Positieve uitspraken over ‘onze Marokkanen’ en een bij vlaagjes redelijk, op Amerikaanse leest geschoeid pleidooi voor het inclusieve burgerschap ten spijt, is het precies de oekopedale[27] focus op het behoud van de sociale ecologie die geen enkele garantie op inclusie biedt aan niet-oorspronkelijke inwoners. Hun denken kent een sterk antidemocratisch element. Toch willen zij meer dan alleen zoveel mogelijk homogeniteit bewaren. Tegelijk met hun heemvrees roepen zij ook vaak om meer vrijheid. ‘Alleen door het volk meer vertrouwen te geven, kan het vertrouwen van het volk in de politiek worden hersteld,’ zegt Baudet.[28] Op de keper beschouwd is hun devies eerder meer democratie, meer zeggenschap over ons eigen leven, dan minder. Dat die vlieger ondanks hun eigen wens niet opgaat, komt doordat zij gericht zijn op een volk dat zij niet definiëren en dat zij niet kunnen definiëren. Het wel invullen zou hen over het randje van het fascisme sturen dat zij zelf niet willen beschouwen. Toch democratie dus – maar aan welk volk?, om met Jonas Staal en Vincent van Gerven Oei te spreken.[29] Als de oikofoben de vijand zijn, wie zijn dan de oikofielen? Wat is het object van hun gemankeerde democratische verlangen?

 

Moderniteit als ontsnapping aan de natuur

Oikofilie lijkt op, maar is geen volledige regressie naar de tijd van onze overgrootouders. In tegendeel, Baudet noemt juist veel moderne geneugten van het leven. Hij lijkt het eigene te vinden in de begrippencombinatie van bevolking, cultuur, traditie, territorium en omgeving. Het territorium is de natiestaat en de bevolking het volk. Dat is etnisch en cultureel afgebakend en kent een aantal tradities, maar het is niet volledig gesloten. Integratie van een aantal vreemdelingen moet kunnen in de vorm van volledige assimilatie. Die assimilatie is een invoeging in de cultuur in de vorm van haar tradities. Verder is de cultuur nog altijd vrij patriarchaal, behoorlijk misogyn en gezagsgetrouw. Maar hij is niet van gemakken verstoken. Ook onze huidige morele, politieke en economische waarden horen erbij. Oikofilie is dus traditioneel én modern. Het eigene van Scruton en Baudet is de naoorlogse industriële samenleving waarin de hevigste emancipatiestrijden die een homogene, welvarende bevolking zoal meemaakt al hebben gewoed: de moderne maatschappij in de betekenis van de maatschappij van het moderne project. Vanzelfsprekend hebben antiracisme, antikolonialisten, immigranten en derde emancipatiegolven er weinig plaats. Maar voor omgeving en milieu is geen plek in dit denken dat de moderniteit wil redden. De moderniteit wil immers de natuur de baas zijn, wil aan haar ontsnappen.[30]

Omdat de omgeving wegvalt bij Baudet en Scruton, kunnen zij veranderingen in ecosystemen onmogelijk registreren. De enige uitzondering daarop is snelle en ingrijpende lokale verandering. Het volgt uit zijn nadruk op de lokale sociale ecologie dat met name Scruton zich opwerpt als een groot voorstander van lokale natuurbescherming. Sterke verandering van het lokale ecosysteem heeft immers grote invloed op een lokale gemeenschap. Tegelijkertijd wil hij niets weten van natuurbeschermers die zich bezighouden met problemen die boven de grenzen van hun regio of land uitstijgen, noch van natuurbeschermers die uit naam van hún lokale natuurproblemen een halt willen toeroepen aan de globale uitstoot van CO2-equivalenten. De paradox zit hem erin dat eigenheid zich laat vertalen als een gebod tot lokaliteit. Scruton houdt zo sterk vast aan de eigenheid en dus aan de lokaliteit van de inwoners dat zij zelfs ‘op hun plaats’ moeten blijven wanneer ze geconfronteerd worden met milieuvervuiling die niet afkomstig is van hun directe invloedssfeer, hun oikos.

Scruton is er ten minste nog zeker van dat er een ecologische crisis is. Baudet heeft er geen enkele ruimte voor. Klimaatverandering ontkent hij ronduit:

“Enige bijdrage aan deze ontwikkeling [van opwarming] door toename van de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer is weliswaar aannemelijk, maar het precieze wat en hoe weten we eenvoudigweg niet, en of het een probleem is al helemaal niet”[31]

 

Ecofobie

Helaas weten we dat wel. James Lovelocks these dat de atmosfeer van onze planeet mede gevormd wordt door alle levende wezens stamt al uit 1965 en is voor het eerst gepubliceerd in 1968. Lovelock baseerde zich op de samenstelling van de aardse atmosfeer in vergelijking met die van Venus en Mars. Hoewel zijn Gaia-theorie nog steeds enigszins controversieel is, is zijn atmosferische onderzoek dat nooit geweest. Al in 1974 werd hij mede daarvoor benoemd tot Fellow van de exclusieve Royal Academy of Sciences. In het paper van 1968 schetste Lovelock ook al de rol van CO2 als broeikasgas:

“The final abiological steady-state atmosphere of the Earth would depend strongly on factors governing the carbon dioxide concentration. If the carbon dioxide pressure were high, then the temperature and composition would tend towards that of Venus. If the carbon dioxide partial pressure remained as it is now, then that the conditions would be closer to those of the Mars.”[32]

Nu baart het geen opzien dat Baudet niet bekend is met Lovelock. Maar Baudet noemt ook het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) niet, terwijl hij wel beweert dat klimaatonderzoek om ‘volstrekt onduidelijke projecten’ draait. Zo negeert hij het internationale instituut dat al het onderzoek ter wereld rondom klimaatverandering bijhoudt, checkt, samenvat en gratis online publiceert. Vervolgens maakt hij het verwijt dat klimaatonderzoek geld wegsnoept van ‘reële en urgente zaken, zoals aids, armoede en gebrek aan drinkwater’.[33] Een leugen verpakt als een mooie soundbite. Het IPCC ziet klimaatverandering juist als een steeds groter wordend probleem dat arme bevolkingsgroepen zwaarder treft dan rijkere:

“People who are socially, economically, culturally, politically, institutionally, or otherwise marginalized are especially vulnerable to climate change and also to some adaptation and mitigation responses (medium evidence, high agreement). This heightened vulnerability is rarely due to a single cause. Rather, it is the product of intersecting social processes that result in inequalities in socioeconomic status and income, as well as in exposure. Such social processes include, for example, discrimination on the basis of gender, class, ethnicity, age, and (dis)ability.”[34]

In dit licht krijgt de uitspraak een ‘wereld zonder thuis’[35] een heel andere betekenis. We voelen ons er niet alleen minder thuis, er is ook daadwerkelijk iets aan de hand met de wereld. Klimaatverandering en andere milieuproblemen tasten onze leefomgeving aan. En wij zijn coproducenten van die aantasting. Is het een aanval op ‘het eigene’ wanneer we maatregelen willen nemen om de aantasting van ecosystemen tegen te gaan? Natuurlijk niet. Als onze leefomgeving niet bij ons zou horen, is het eigene niets waard. En als we onze leefomgeving en de ecosystemen tot het eigene rekenen, dan volgt dat het gebruik van het woord oikofobie zelf oikofoob is wanneer men er het gesprek over de deplorabele toestand van de ecologie mee probeert te onderdrukken. Dus de vraag is waarom Baudet zorgen om het klimaat als oikofoob bestempelt.

Wat maakt het dat een auteur die een afkeer van het eigene beschrijft vervolgens juist ecologen en klimaatwetenschappers van eigenhaat kan beschuldigen? Die eigenhaat huist immers eerder bij de multinationals, markten, handelsverdragen, mislukkende milieutops en nationale overheden. Zijn zij niet juist oikofoob? Ze zijn er tot nu toe niet in geslaagd om de klimaatverandering te adresseren. Zo bekeken is oikofobie als angst voor het eigene eigenlijk ecofobie: een irrationele angst voor of panische ontkenning van de ecologische werkelijkheid. Dit is, na heemvrees, een tweede werkelijke, want sluitend gedefinieerde inhoud van het vage oikofobie.

Scruton en Baudets ecofobie kan niet omgaan met globale effecten van lokale uitstoot, lokale productie en lokale consumptie. Het is Baudet die het moderne project en de onmogelijkheid van enige consideratie voor ecosystemen op weergaloze wijze verwoordt:

“Naties zijn overgeërfde identiteiten, gevormd onder eeuwen van aristocratisch bewind. Niet alleen bestaat er misschien een natuurlijke grens aan de maximale schaalvergroting voor het ervaren van nationale identiteit, maar het zou ook goed kunnen dat natievorming een vorm van sociaal ingrijpen vereist die meer druk van bovenaf vergt dan democratieën kunnen verdragen. Naties lijken in die zin op fossiele brandstoffen: ontstaan onder een eeuwen durende overweldigende druk van boven, zijn het relicten uit een verstreken tijdperk die niettemin onmisbaar zijn voor de bloei van het moderne leven.”[36]

Is staatsvorming per definitie ondemocratisch? En is de natiestaat de beste mogelijkheid die we kennen? Hij ontpopt zich hier als een rechts-Hegeliaan, een aanhanger van Francis Fukuyama en Milton Friedman die met hen denkt dat de westerse, moderne natiestaat het culminatiepunt van de geschiedenis is – letterlijk en figuurlijk ’t einde. De analogie tussen staatsvorming en de totstandkoming van olie, gas en kolen maakt twee dingen duidelijk: Scrutons uitspraak dat conservatisme en ecologie ‘natural bedfellows’ zijn ten spijt heeft ecologie ten eerste geen enkele plaats in dit denken en ten tweede is dit denken hopeloos verouderd. Elke plaats, elke gemeenschap, moet voldoen aan de regels die zij voor hun gemeenschappen zien. En die regels kloppen niet. Niet alle gemeenschappen zijn immers welvarend. Noch zijn ze even invloedrijk. Maar het belangrijkst is dat ze niet onafhankelijk van elkaar zijn, maar aangesloten zijn op een globaal, leven ondersteunend systeem van in elkaar grijpende cycli en ecosystemen.

 

Conclusie: Drievoudige oikofobie

Niet de olie, maar de ecosystemen zijn onmisbaar. Baudet en Scruton staan een verouderd, vervuilend en zichzelf ondermijnend modernistisch model van de samenleving voor. Hun doel is ‘de bloei van het moderne leven’ en daarmee doelen ze op de menselijke onafhankelijkheid van ecosystemen. Dat ze niet willen inzien dat het menselijke streven naar onafhankelijkheid van die ecosystemen al decennia lang op onszelf terugslaat, maakt dat we hier niet zomaar te maken hebben met oikofobie als ecofobie. Eigenlijk is het ecologische paranoia. Zij verketteren natuurbeschermers die buiten hun eigen lokale omgeving treden omdat zij hen zien als bedreigingen voor de moderne samenleving. Aangezien de moderne samenleving alleen zichzelf nodig heeft om zich onmogelijk te maken, is die verkettering waarlijk een vorm van econoia – niet fobisch buiten zinnen, maar ingesloten in de eigen gedachtenwereld zijn.

En oikofobie? Is het begrip zoals Scruton en Baudet het gebruiken dan pure onzin? Nee, er bestaat wel degelijk zoiets als eigenangst en zelfs eigenhaat. De vergaande homogenisering en pasteurisatie van het voedsel in Europa, de vernietiging van onze eigen habitat, de onwilligheid om bijen in leven te houden, Shelldirecteur Dick Benschops weigering om over te gaan op duurzame energie[37] – dat zijn vormen van, om de term zo neutraal mogelijk te houden, eigenafkeer of misschien alleen van onbegrip over onze fundamentele afhankelijkheid van het goed functioneren van onze habitat. Zulk onbegrip of afkeer kan omslaan in een werkelijke walging van onze afkomst, van de verschrikkelijke daden die er in onze naam gepleegd worden, van ons eigen lichaam en van onze eigen seksualiteit. De vraag is dan echter of het achtervoegsel ‘fobie’ niet meer aandacht zou moeten krijgen dan de walging. Of die nu naar binnen of naar buiten is gericht, hij is betreurenswaardig en verdient geen uitsluiting maar genezing.

Voor zover we weten, leven we nu in het geologische tijdperk van het Antropoceen, of het tijdperk waarin niet alleen het land en het leven van de grote zoogdieren, maar ook de atmosfeer en het leven van alle niet-ondergrondse dieren onder invloed van de mens is komen te staan. De reëel bestaande zeespiegelstijgingen, droogtes, voedseltekorten, watertekorten, fosfaattekorten en het surplus aan broeikasgassen maken dat wat eerst de achtergrond van het menselijk handelen was – onze omgeving, het milieu, de aarde – nu de hoofdrolspeler wordt. Toch is het Antropoceen geen eerlijke naam, want het probleem ligt niet bij alle mensen op aarde. Daarom stelt men ook wel voor om het huidige geologische tijdperk ‘Kapitaloceen’ te noemen, waar niet de mensheid als geheel, maar kapitaalgedreven vervuiling sinds de Industriële Revolutie de ecosystemen op gevaarlijke wijze aantast.[38] Die naam is eerlijker én minder misantroop want het concept Antropoceen is oikofoob volgens Baudets definitie van eigenhaat. Maar natuurbescherming is dat niet. Oikofobie als ‘afkeer van het eigene’ is een concept dat als doel heeft om de hoofdrol terug te claimen voor de mens, maar hoe meer we dat proberen, des te harder slaat het op ons terug. Door daarnaar te kijken hebben we drie vormen van oikofobie onderscheiden: eigenafkeer, heemvrees en econoia. Klimaatverandering ontkennen is ook oikofoob, en daarmee lijden Baudet en Scruton dus aan hun eigen diagnose van culturele oikofobie, in de zin van econoia. Ook een onredelijke focus op het behoud van sociale gemeenschappen, heemvrees, delen zij beiden. Daartegen hebben we de lezing van oikos als leefomgeving of habitat. Die staat ook voor de vitale en democratische kant van Baudet en Scrutons conservatisme. Het opbouwen van habitats, van ecosystemen dus, is niet het beschermen van enkele sociale gemeenschappen ten koste van al het andere leven op aarde. Het opbouwen van habitats betekent het verhaal van de aarde actief op te pakken. Vandaar het citaat van Félix Guattari aan het begin van deze tekst. Afscheid nemen van het project van het modernisme, afscheid van de ontsnapping aan de natuur. Een taak die voor iedereen is weggelegd, niet alleen voor overheden of bedrijven. Het is de taak van het opbouwen van een nieuwe gemeenschap.

 

[1] Guattari, F. (2005), The Three Ecologies. Londen, New York: The Athlone Press (Continuum).

[2] Baudet, T. (2013), Oikofobie. De angst voor het eigene. Amsterdam: Prometheus, Bert Bakker.

[3] Scruton, R. (2013), Green Philosophy. How to think seriously about the planet. Londen: Atlantic Books, 11.

[4] Baudet 2013, 1-2.

[5] Southey, R. (1808), Letters from England, Volume 1. Londen: David Longworth, p. 157.

[6] Scruton, R. (2004), England and the Need for Nations. London: Civitas, 36.

[7] Scruton 2004, 34.

[8] Scruton 2004, 36.

[9] Scruton 2004, 37.

[10] Scruton 2004, 36.

[11] Baudet, T. (2012), De aanval op de natiestaat. Amsterdam: Prometheus, Bert Bakker, 230.

[12] Scruton, R. (2013), 13.

[13] Scruton 2013, 12.

[14] Gibson-Graham, J.K. en E. Miller (2015), ‘Economy as Ecological Livelihood’. In: Gibson, K., D. Bird Rose & R. Fincher (reds.), Manifesto for living in the Anthropocene. New York: punctum books, 12.

[15] Liddell, H. en R. Scott (1940), A Greek-English Lexicon. Revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones with the assistance of Roderick McKenzie. Oxford, Clarendon Press. Te raadplegen op: www.perseus.tufts.edu [2 juni 2015].

[16] Deze passage ontleen ik aan Fred Sanders, auteur op patheos.com, een belangrijke Amerikaanse site voor interreligieuze studie. Fred Sanders wijst ons erop dat Scrutons oiks ook iets heel anders zouden kunnen zijn: ‘Not par-oikioi, but oikeioi: That is, you are no longer outside of the home of God, but you are, well, homies’

[17] Agamben, G. (2005), The Time That Remains. A Commentary on the Letter to the Romans. Stanford, Stanford University Press, 179; Nederlands Bijbelgenootschap (2007), De Nieuwe Bijbelvertaling. Heerenveen, Uitgeverij Jongbloed. Efeziërs 1; 9-10.

[18] Nederlands Bijbelgenootschap 2007, Efeziërs 2; 19-22.

[19] Sanders, F. (2013), ‘From Nomos to Oikonomos’. In: The Scriptorium Daily op: Patheos, Hosting the conversation of faith. Te raadplegen op           www.patheos.com/blogs/scriptorium/2013/01/from-nomos-to-oikonomos/ [2 juni 2015].

[20] Scruton 2013, 12.

[21] Scruton 2013, 12.

[22] Scruton 2013, 12.

[23] Scruton 2013, 13.

[24] Gibson-Graham, J.K. en E. Miller 2015, 12.

[25] Baudet 2013, 43.

[26] Baudet 2013, 38.

[27] Deze contractie van oedipaal en oikos is enerzijds gebaseerd op de alliteratie aan het begin van beide woorden. Anderzijds betekent het woord ‘oikopedon’ (οἰκόπεδ-ον , τό) ‘bouwplaats van een huis’. Oekopedaal lijkt in dat opzicht ook inhoudelijk op oedipaal zoals Gilles Deleuze en Félix Guattari dat begrip aanvallen. Baudet bevestigt met zijn gerichtheid op het eigene zijn eigen wereldbeeld. Oikofobie bouwt het eigene op als een normaliteit door het als altijd al bestaand te veronderstellen. Vervolgens fungeert het identificeren of benoemen van een zogenaamde aanval op die normaliteit als de reden om het eigene te versterken, terwijl het in werkelijkheid niet van tevoren bestaat.

[28] Baudet 2013, 121.

[29] Staal, J. onder redactie van V. van Gerven Oei (2010), Macht… Aan welk volk? Heijningen, Jap Sam Books.

[30] Latour, B. (2013), Facing Gaia. Six lectures on the political theology of nature, being the Gifford Lectures on Natural Religion. Edinburgh, 18th – 28th of February 2013. PDF, versie 19-2-13 in het bezit van de auteur.

[31] Baudet 2013, 186.

[32] Lovelock, J. (1968), ‘Planetary Atmospheres: Compositional and other Changes Associated with the Presence of Life’. In: Advances in the Astronautical Sciences, 25, 1969, 179-193. Te raadplegen op: www.jameslovelock.org [2 juni 2015].

[33] Baudet 2013, 186.

[34] IPCC, 2014: Summary for policymakers. P. 6 in: Climate Change 2014: Impacts, Adaptation, and Vulnerability. Part A: Global and Sectoral Aspects. Contribution of Working Group II to the Fifth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change [Field, C.B., V.R. Barros, D.J. Dokken, K.J. Mach, M.D. Mastrandrea, T.E. Bilir, M. Chatterjee, K.L. Ebi, Y.O. Estrada, R.C. Genova, B. Girma, E.S. Kissel, A.N. Levy, S. MacCracken, P.R. Mastrandrea, and L.L. White (eds.)]. Cambridge University Press, Cambridge, United Kingdom and New York, NY, USA, 1-32.

[35] Baudet 2013, 1-2.

[36] Baudet 2012, 116.

[37] de Volkskrant, 30 januari 2015. Te raadplegen op www.volkskrant.nl/economie/rem-op-olie-en-gas-is-niet-realistisch~a3840555/ [28 juni 2015].

[38] Haraway, D. (2014), ‘Anthropocene, Capitalocene, Chthulucene: Staying with the Trouble’. Voordracht Aarhus University. Te raadplegen op www.vimeo.com/97663518 [2 juni 2015].

This entry was posted in Artikelen. Bookmark the permalink.

Comments are closed.