“De opkomende realiteit van sturingsanarchie, gecombineerd met het onvermogen van regulier beleid om tot structurele veranderingen te komen, vraagt om een alternatieve politieke filosofie.”

DE NIEUWE TRANSFORMATIE EN STURINGSPANARCHIE

Derk Loorbach

Derk Loorbach (1975) is sinds 2011 directeur van het Dutch Research Institute for Transitions (DRIFT) aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij is op 1 januari 2014 benoemd tot hoogleraar socio-economische transities. Loorbach houdt zich nationaal en internationaal bezig met transitiemanagement, zowel wetenschappelijk als maatschappelijk. Hij heeft publicaties geschreven op het gebied van transities, maatschappelijke sturing en duurzaamheid. Daarnaast participeert hij als actieonderzoeker in diverse duurzaamheidsprojecten.

 

Inleiding

De grote maatschappelijke opgaven van deze tijd zijn in zekere zin het bijproduct van een geslaagde periode van modernisering die zich gedurende de afgelopen twee eeuwen heeft voltrokken.[1] De enorme sprong in welvaart, democratie en gezondheid (in algemenere zin: maatschappelijke vooruitgang) heeft tegelijk geleid tot ecologische, economische en institutionele problemen die schier onoplosbaar lijken.[2] Decennia van milieubeleid en liberalisering hebben weliswaar efficiëntie en oplossingen voor acute en direct zichtbare problemen opgeleverd, maar juist de grotere vragen blijven onopgelost. De uitputting van grondstoffen, het overschrijden van ecologische grenzen (denk aan klimaatverandering en het verlies van biodiversiteit), maar ook mondiale ongelijkheid en de onhoudbaarheid van de verzorgingsstaat met een vergrijzende bevolking en lagere economische groei zijn hiervan voorbeelden. Internationale onderhandelingen en akkoorden, nationale beleidsprogramma’s of research & development gericht innovatiebeleid brengen ten aanzien van dit type problemen slechts marginale oplossingen voort.

Deze verbeteren weliswaar het bestaande maar leiden niet tot meer radicale of structurele systeemvernieuwing. In mijn jargon lopen goed bedoelde vernieuwingspogingen vast in het zogenaamde ‘probleem-industrieel complex’: maatschappelijke stelsels van partijen, structuren en belangen die zijn opgebouwd om effectief meetbare problemen op te lossen en dus gebaat zijn bij voldoende aanbod van die problemen. Of het nu gaat om afval, ziekte, arbeidsproblematiek, dakloosheid, zorg, energievraag of mobiliteitsbehoefte. Gezien de urgentie en complexiteit van grote maatschappelijke problemen als ook de fundamentele risico’s en onzekerheden die ze met zich mee brengen, zijn marginale verbeteringen van het bestaande vaak too little too late.

In mijn bijdrage verken ik het potentieel van een nieuwe maatschappelijke omwenteling die zich langzamerhand aandient. Ik noem deze de Nieuwe Transformatie. Mijn stelling is dat we in toenemende mate getuige zijn van het destabiliseren van de nu nog dominante cultuur, structuren en werkwijzen die het product zijn van de industriële revolutie.[3] Deze destabilisatie ontstaat door de opkomst van een aantal nieuwe maatschappelijke ordeningsprincipes die haaks staan op de dominante wijze waarop onze samenleving nu is ingericht. Principes die in zichzelf de potentie hebben om binnen afzienbare tijd tot structurele maatschappelijke verduurzaming te leiden. Kenmerkend voor de nieuwe transformatieve dynamiek is de toegenomen vrijheid en mogelijkheid van actoren om hun eigen organisatie- of sturingsvorm te kiezen die past bij het (maatschappelijke) probleem dat ze willen adresseren. Met het begrip ‘sturingspanarchie’ verwijs ik naar het potentieel dat ik zie in het faciliteren van collectief zelf organiserend vermogen om grote maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. Na een introductie van het transitiebegrip vanuit de historische context en de persistentie van de huidige maatschappelijke opgaven ga ik verder in op het concept sturingspanarchie en de mogelijke consequenties.

 

Een transitieperspectief

In het veld van de transitiewetenschappen[4] is de afgelopen vijftien jaar veel aandacht besteed aan de mechanismen en patronen van schoksgewijze structurele verandering in maatschappelijke (deel)systemen. Zo zijn inmiddels tientallen zo niet honderden historische transities in kaart gebracht in maatschappelijke systemen zoals mobiliteit, energie, voedselproductie, huisvesting, gezondheidszorg en welzijn die gezamenlijk hebben opgeteld tot de Industriële Revolutie. Achteraf kunnen we deze historische transities begrijpen als revolutionaire systeemveranderingen die zich voltrokken binnen een tijdsbestek van decennia. In de dagelijkse praktijk waren het vaak stapsgewijze processen van experimenteren, institutionalisering, gedrags- en cultuurverandering die onder specifieke omstandigheden elkaar versterkten en leiden tot meer emergente en schoksgewijze systeemverandering.

Binnen de transitiewetenschappen zijn we dit type ‘evolutionaire revoluties’[5] gaan begrijpen als de uitkomst van het samenspel van een aantal factoren die periodiek leiden tot fundamentele heroriëntatie en herordening. Binnen maatschappelijke systemen ontwikkelt zich gaandeweg een dominante cultuur, structuur en werkwijzen, een zogenaamd ‘regime’. Hierbij horen infrastructuren, instituties, collectieve routines en culturele opvattingen. Door de complexiteit, gedane investeringen en routinematig gedrag houden zulke regimes zichzelf in stand door continue verbeteringen. Per definitie gaat het hierbij om optimalisatie van het bestaande. In de omgeving, in transitietermen ‘landschap’, spelen allerlei bredere trends en ontwikkelingen zoals economische, demografische, politieke of ecologische, die dwingen tot aanpassing. Vaak lukt het een regime creatief in te spelen op die veranderingen maar op de langere termijn ontstaan er meer fundamentele spanningen die niet met meer efficiency of optimalisatie zijn op te lossen. In de aanloop naar een transitie ontstaan er dan ook allerlei experimenten (‘niches’) rond fundamenteel andere manieren van denken, organiseren en handelen.

Een transitie is het proces waarin een regime fundamenteel van karakter verandert als gevolg van interne spanningen, druk vanuit de omgeving en concurrentie van concrete alternatieven. In die zin zijn transities dan ook machtswisselingen: de gevestigde belangen zullen proberen de transitie af te wenden en succesvolle alternatieven proberen de transitie te versnellen. Ook in de historische transities waren het de oude regimes die zich verzetten tegen democratisering, auto’s, industrie, vrouwenrechten of de verzorgingsstaat (vaak tot het moment dat de transitie onafwendbaar was). Opvallend is dat veel van deze historische transities werden gedreven door een paar gemeenschappelijke principes die de basis vormden voor de modernisering: centrale vormen van sturing en coördinatie, (goedkope) fossiele energie en grondstoffen, en lineaire modellen van innovatie en kennisontwikkeling.

Probleem-industrieel complex

Vandaag de dag worden we geconfronteerd met maatschappelijke problemen die diep zijn verankerd in historisch gegroeide regimes. Het lijkt daarbij alsof alle pogingen fundamentele onduurzaamheid op te lossen vaak direct teniet gedaan worden door groeiende consumptie. Dergelijke korte-termijn oplossingen dragen vooral bij aan het verder vastzetten van onduurzame regimes. Dit wordt aangeduid als padafhankelijkheid of lock-in: het collectief onvermogen om een meer disruptieve koerswijziging te bereiken die zowel noodzakelijk als mogelijk wordt geacht. Denk aan de overgang naar een duurzame energievoorziening, een sociale economie of directe democratie. Dergelijke lock-ins zijn duidelijk zichtbaar in maatschappelijke systemen die steeds vaker geconfronteerd worden met oplopende maatschappelijke druk, interne spanningen en valide alternatieven. Efficiënte regimes in afvalbeheer, gezondheidszorg, energie systeem, voedselproductie en woningbouw hebben op succesvolle wijze een groeiende bevolking en welvaart gefaciliteerd, maar zijn nu niet in staat zichzelf te transformeren richting regimes die waarde produceren. Ze zijn volledig opgesloten in het ontwikkelpad gericht op groei, efficiëntie en symptoombestrijding. Bovendien zijn het op zichzelf staande systemen geworden met een geheel eigen logica, discours, disciplines, opleidingen en beleidscontext. In die zin dus ook losgeraakt van de samenleving en vooral op zichzelf betrokken: naar binnen gekeerd en autopoietisch, of zelf producerend zoals Luhmann het al duidde.[6]

Met andere woorden, maatschappelijke regimes zijn vooral gebaseerd op het oplossen van historische problemen op basis van centrale (overheids-) planning en controle, van goedkope fossiele grondstoffen en lineaire vormen van innovatie. Dit heeft geleid tot oplossingen die gebaseerd zijn op specifiek meetbare en identificeerbare problemen, het kwantificeren ervan, en de uitvoering van vooraf bedachte oplossingen door middel van beleid (of marktstrategieën). Op innovatie gericht beleid (waaronder milieubeleid) is een deel van deze dominante regimes en vanuit een transitieperspectief onderdeel van het probleem. Terwijl bijvoorbeeld duurzaamheid door iedereen omarmd lijkt, blijft het in de praktijk vooral bij minder onduurzaamheid.

Twee voorbeelden die dit illustreren zijn de zorg en afval. In de zorg is een systeem ontwikkeld rond het behandelen van ziektes. Gebaseerd op het idee van afwijkingen van volledige gezondheid worden diagnoses gesteld waarbij bepaalde behandelingen het meest effectief zijn die vervolgens zo efficiënt (lees: goedkoop) mogelijk worden toegepast. Gaandeweg heeft de druk op efficiëntie geleid tot enorme controlesystemen, protocollen, managementlagen en bezuinigingen op alles wat geen meetbaar rendement oplevert. Tegelijk is er de afgelopen jaren een sterke alternatieve benadering opgekomen die zich richt op preventie, leefstijl en bewustwording. Oplossingen in dit perspectief liggen in groene buurten, gezonde voeding, sociale wijkteams en de zogenaamde beterhuizen. Dit type oplossingen leidt vaak tot gezondheidsverbetering via andere waarden (hogere vastgoedwaarde, sociale cohesie, korter ziekbed, geluk) maar past niet in het gezondheidsregime, want moeilijk kwantificeerbaar en onduidelijke ‘returns of investment’.

Eenzelfde patroon is te zien in het afvalbeheer, waar in de jaren negentig de transitie van het storten naar het verbranden van afval is gemaakt. Met grote investeringen in afvalverbrandingsinstallaties, nascheiding en het ontwikkelen van een (inter)nationale afvalmarkt, is een efficiënt systeem ontstaan om afval te verwijderen. Alleen is dit een systeem dat gebaseerd is op de beschikbaarheid van (steeds meer) afval. Nu er door de economische crisis en betere scheiding door consumenten minder afval wordt geproduceerd, leidt dat tot spanningen. Soms zelfs tot absurde situaties waarbij bijvoorbeeld afvalverwerker Attero Brabantse gemeenten een miljoenenboete (ze spreken zelf eufemistisch van naheffing) oplegde omdat er te weinig afval wordt geproduceerd. Tegelijk zijn er in de praktijk allerlei alternatieven beschikbaar; van ander materiaalgebruik en anders ontwerpen, tot slimmere vormen van inzameling.[7] Het wensbeeld van een circulaire economie dat op kleine schaal in elk geval zichtbaar wordt en haalbaar lijkt, botst in toenemende mate met de gevestigde belangen, gedane investeringen en gesloten contracten. Ook rond afval heeft zich dus een regime gevormd dat afhankelijk is van de aanwezigheid van een maatschappelijk probleem en dus belang heeft bij de instandhouding van dat probleem.

 

Een nieuwe transformatie?

Terwijl op regimeniveau de focus ligt op optimalisatie, consensusvorming en incrementele verbeteringen, ontwikkelen zich, zoals in zorg en afval, in allerlei sectoren alternatieve niches. In zekere zin zou ik stellen dat de periode die door Ulrich Beck als ‘reflexieve modernisering’[8] wordt aangeduid een combinatie is van de moderne regimes die tegen de grenzen van optimalisatie aanlopen en de opkomst van tegenbewegingen en alternatieven. Sinds de jaren 1970 verschenen dan ook alternatieve valuta, duurzame (energie) technologie, experimenten met lokale en directe democratieën, en duurzame of alternatieve leefstijlen. Dit type ontwikkelingen was lang marginaal, klein, duur en vaak gezien als te alternatief. Na verloop van tijd en met opgebouwde ervaring zijn veel van dit soort alternatieven inmiddels ontwikkeld en gerijpt. Veel van de alternatieven beginnen mainstream te worden: van stedelijke tuinen en voedselproductie naar energie producerende gebouwen en van hernieuwbare energie coöperaties tot credit unions, broodfondsen en een dieet met geen of minder vlees.[9]

Opkomende alternatieven in veel van de sectoren in transitie kenmerken zich door een fundamenteel andere manier van denken, organiseren en werken dan de dominante regimes. Veelal gaat het om combinaties van sturingsvormen (sturingsmixen). Hierbij is duurzaamheid en maatschappelijke waarde creatie het uitgangspunt en baseert men zich op co-creatie van kennis en open innovatie, al dan niet mogelijk gemaakt door ICT en nieuwe communicatietechnologie. Zo worden in sectoren als energie, zorg en economie centrale vormen van coördinatie en sturing omzeild en tegelijk nieuwe economische, sociale en ecologische waarde geproduceerd. Veel recente maatschappelijk initiatieven lijken op een tegenbeweging. Het falen van staat en markt om duurzame oplossingen op menselijke maat te leveren is aanleiding om zelf in nieuwe verbanden naar oplossingen te zoeken.

Vanuit transitieperspectief interpreteren we huidige crises als symptomen van vastlopende regimes en als aanjager van transformatieve sociale innovaties. Of het nu gaat om de opstand in Groningen tegen de gaswinning, de economische crisis of protest tegen het ‘rendementsdenken’, dominante regimes staan toenemend onder druk. Tegelijk ontbreekt het aan een helder en richtinggevend perspectief of alternatief. In tegenstelling tot de vooruitgangs- en wederopbouwgedachte achter de modernisering, wordt een nieuwe transformatie overwegend ervaren als een bedreiging van onze waarden, verworvenheden en zekerheden. Dat uit zich maatschappelijk in ongenoegen, maar ook beleidsmatig in een scepsis jegens toekomstvisies en een naar binnen gekeerde reflex gericht op details en futiliteiten.

In mijn ogen zal de autonome dynamiek van geoptimaliseerde regimes steeds moeilijker zijn vol te houden en leidt de concurrentie met steeds efficiëntere alternatieven uiteindelijk tot een zogenaamde ‘take-off’. In deze ontstekingsfase van transities worden (delen van) regimes afgebroken en ontstaan er snel nieuwe structuren. Dat is een schoksgewijs proces en kenmerkt zich door sociaaleconomische turbulentie. Vaak openbaart die spanning zich via calamiteiten of incidenten. De historicus Braudel noemde dit uitingen van onderliggende structurele en conjuncturele dynamiek.[10]

 

Naar sturingspanarchie

De uitdaging die vanuit dit perspectief volgt is dat de nu dominante wijze waarop beleidsvorming is georganiseerd, via centrale instituties en een representatieve democratie in de context van natiestaten, in toenemende mate onhoudbaar is.[11] De reflex om op incidenten te reageren met crisismaatregelen is een doodlopende weg. Tegelijk lijkt het onmogelijk om vanuit gevestigde belangen en consensusvorming op nationaal niveau te komen tot fundamentele wijzigingen die passen bij complexe en omstreden onderwerpen. De contouren van een nieuwe transformatie die ik schets kunnen ons misschien richting geven en helpen nieuwe vormen van sturing en organisatie te identificeren die wel passen bij de nieuwe tijd.

In de huidige tijd stellen nieuwe technologieën en vrije beschikbaarheid en toegankelijkheid van kennis mensen in staat om te schakelen tussen hun professionele- en privéleven. Vanuit politiek-wetenschappelijk perspectief werd al in de tweede helft van de 19e eeuw door anarchistisch filosofen gepleit voor een samenleving waarin iedereen zijn of haar eigen politieke orde(ning) kon kiezen. Dit concept van ‘panarchie’ leek toen een utopie maar lijkt nu steeds meer plausibel. Het verwijst naar de hybride, gemengde en diffuse verscheidenheid van bestuur. Zo vormen individuen, instellingen en bedrijven specifieke collectieven en pakken maatschappelijke problemen op in hun context. Het biedt ook een meer open en productief perspectief op wat in het dominante discours wordt aangeduid als de ‘bottom-up’ of ‘participatie’ samenleving.

Sturingspanarchie ondermijnt echter ook ons begrip van democratische instituties en waarborgen van gemeenschappelijke waarden. Ik wil daarom een aantal spanningen benoemen rond het sturingspanarchie concept. Ten eerste kunnen decentrale sturingscombinaties soms gemakkelijk leiden tot een samenleving waarin de sterksten overwinnen en waar centrale controle weer noodzakelijk wordt. Principes van transnationale solidariteit en rechtvaardigheid dienen te worden ontwikkeld om zulke neigingen tegen te gaan. Ten tweede, veel mensen bezitten vaak niet de vaardigheden, capaciteiten en ervaringen om te opereren in een context waarin ondernemerschap, netwerken en improvisatievermogen cruciaal zijn. Dit vereist een sterke focus op empowerment, onderwijs en nieuwe structuren die solidariteit en inclusie borgen. Ten derde zijn er veel collectieve problemen, beslissingen en acties die niet automatisch worden aangepakt door middel van transformatieve sociale netwerken. Niet alle collectieve publieke diensten en goederen dienen te worden geproduceerd en uitgewisseld in lokale gemeenschappen. Het is ook noodzakelijk te komen de herverdeling van arbeid, taken en lasten.

De opkomende realiteit van sturingsanarchie, gecombineerd met het onvermogen van regulier beleid om tot structurele veranderingen te komen, leidt in mijn optiek tot de vraag om een alternatieve politieke filosofie. Als we uitgaan van de wenselijkheid van diversiteit, samenredzaamheid en zelfbeschikking in de context van ecologische, sociale en economische grenzen, dan vereist dat een transformatieve sturingsfilosofie die randvoorwaarden creëert om maatschappelijke problemen op een andere manier collectief op te lossen. Dit oplossend vermogen zou aangewend moeten worden in sectoren die kampen met genoemde probleem-industrieel complexen en waar tegelijk de duidelijke contouren van veelbelovende alternatieven aanwezig zijn.

Het gaat niet om het vinden van de beste oplossing, maar om de vraag hoe de transitie naar nieuwe regimes te maken is met de minste maatschappelijke schade. Vanuit historische transities weten we dat deze gepaard gaan met afbraak en instabiliteiten (denk aan werkeloosheid, faillissementen, maatschappelijke onrust). De uitdaging van duurzame ontwikkeling is dus vooral het vinden van de minst disruptieve transitiescenario’s. Dit is wat ik sustability zou willen noemen: het streven naar stabiele dynamische maar inherent volhoudbare evenwichten middels een transitie. Dat het stopzetten of uitfaseren van onwenselijke opties hierin een onderdeel moet zijn is evident, net als het ontwikkelen van een nieuw type instituties.

 

Concluderende opmerkingen

In deze bijdrage heb ik geprobeerd aan te geven hoe de moderne samenleving heeft geleid tot dominante manieren van denken, organiseren en werken die in toenemende mate onvolhoudbaar zijn. Die onvolhoudbaarheid is een gevolg van de padafhankelijke ontwikkeling van die regimes die per definitie voortbouwen op het bestaande. Met als gevolg toenemende complexiteit en kosten, afnemend verandervermogen en opbouw van interne spanningen en crises. Tegelijk ontstaan er steeds concurrerender alternatieve manieren van denken, werken en organiseren. De netwerksamenleving met een grote diversiteit aan organisatievormen zijn in mijn optiek onderdeel van een oplossingsrichting waarin we verder moeten denken en zoeken. In de context van sturingspanarchie ligt namelijk een groot oplossend vermogen, zij het met de nodige beperkingen en dilemma’s. Tot nu toe is het huidige beleidsregime nog bepalend, maar een reeks aan spanningen en tegenbewegingen zorgt nu ook hierin voor instabiliteit.

Dit perspectief roept allerhande vragen op. Ten eerste moet benadrukt dat het een manier van kijken en interpreteren voorstelt die suggestief en daarmee ook normatief is. Het biedt in die zin een vertrekpunt voor analyse, dialoog en experiment maar is in zekere zin niet klassiek-wetenschappelijk te bewijzen of te onderzoeken. Het sluit weliswaar aan bij allerlei discussies in en om het ‘wetenschapsregime’ over maatschappelijke waarde, inter- en transdisciplinariteit en ‘valorisatie’, maar onderstreept tegelijk de noodzaak om zowel conceptueel als methodisch nog een grote slag te maken. Deels door te kwantificeren, meetbaar te maken en deels door empirisch te observeren, en evalueren.

Met deze nuancering in het achterhoofd lijkt vervolgens de discussie over hoe om te gaan met de geschetste transitiedynamiek van opbouw en afbraak en de inherente complexiteit en ambiguïteit hiervan een relevante zo niet cruciale. Hoe kunnen we de dynamiek duiden van destabilisatie en behoud versus versnelling en emergentie? Welke mechanismen en patronen zorgen voor het in specifieke gevallen omslaan van de dynamiek richting institutionalisering van alternatieven (die vervolgens onderdeel van een nieuw regime worden) of juist voor het herstellen van oude waarden en normen? Hoe kunnen de verwachte conflicten rond dit soort punten worden gemanaged? Het vraagt, met andere woorden een veel verfijnder, uitgewerkt en kwantitatiever analytisch begrip van transities.

Dat geldt ook voor de (sturings)implicaties van het geschetste concept van panarchie. het constateren van een grote diversiteit aan sturingsvormen en –modellen die naast en over elkaar heen bestaan is een, maar deze ook scherp kunnen onderscheiden en (in interactie) effectief laten zijn in de context van gewenste transities. Dat geldt ook voor mijn pleidooi voor het verder doordenken en testen van interventies gericht op institutionele verandering en hervorming als ook de rol van top-down beleid. In veel transitiedomeinen is de dynamiek nu zodanig dat de hervormingen bewust worden ingezet (overigens vaak vanuit bezuinigingsmotieven). Maar hoe wordt dan die hervorming gekoppeld aan institutionele vernieuwing? Hoe verschuiven we van puur kwantitatief economisch groeidenken naar denken dat maatschappelijke kwaliteit en waarde centraal staat en agnostisch is ten opzichte van economische groei?
Voor mij zijn dit in elk geval richtinggevende vragen die al experimenterend (doendenken zeggen wij in Rotterdam) verder vormgegeven worden. Maar ik herken dat naast mij vele onderzoekers, burgers, ondernemers, ambtenaren en activisten ook op zijn naar zowel theoretische als praktische antwoorden op dit soort vragen. Vanuit urgentie, nieuwsgierigheid, idealisme, ondernemerschap of andere motieven. Dit zoekproces zelf is in feite de panarchie en geeft de facto richting en snelheid aan de transformatie.

 

[1] Loorbach, D. (2014). To transition! governance panarchy in the new transformation. Rotterdam: DRIFT – Erasmus University Rotterdam.

[2] Meadows, D., Meadows, D., Randers, J., & Behrens, W. (1972). The limits to growth: A global challenge. New York: Club of Rome.

[3] Zie bijvoorbeeld: Bosman, R., Loorbach, D., Frantzeskaki, N., & Pistorius, T. (2014). Discursive regime dynamics in the dutch energy transition. Environmental Innovation and Societal Transitions, 13, 45-59.

[4] Grin, J., Rotmans, J., Schot, J., with, i. c., Loorbach, D., & Geels, F. W. (2010). Transitions to sustainable development; new directions in the study of long term transformative change. New York: Routledge.

[5] Rotmans, J., Kemp, R., & van Asselt, M. (2001). More evolution than revolution: Transition management in public policy. Foresight, 03(01), 15-31.

[6] Luhmann, N. (1984). Social systems (B. John Jr Trans.). Stanford, California: Stanford University Press; Van Twist, M., & Schaap, E. (1991). Een theorie over autopoietische systemen voor de sociale wetenschappen: Een vorm van eigentijds geloven. Beleidswetenschap, 4.

[7] Van Raak, R., Loorbach, D., Verhagen, M., Verhoeven, P., Teernstra, M., & Taanman, M. (2013). Van afval af; transitieagenda voor gemeentelijk afvalbeheer. Rotterdam: VNG/DRIFT.

[8] Beck, U. (1994). Reflexive modernization: Politics, tradition and aesthetics in the modern social order Standford, California: Stanford University Press.

[9] Zie bijvoorbeeld onderzoek naar verschillende van dit type transformatieve netwerken binnen het TRANSIT project: http://www.transitsocialinnovation.eu/discover-our-cases-2.

[10] Braudel, F. (1979). Civilization and capitalism, 15th-18th century, III volumes University of California Press, Reprint edition 1992.

[11] Jhagroe, S., & Loorbach, D. (2014). See no evil, hear no evil: The democratic potential of transition management. Environmental Innovation and Societal Transitions, (0) doi:http://dx.doi.org/10.1016/j.eist.2014.07.001.

This entry was posted in Artikelen. Bookmark the permalink.

Comments are closed.