“De vrijheid van de moderne stedeling is hoofdzakelijk een economische schijnvrijheid. Hij is eerder footloose dan vrij.”

NOMADEN, BOEREN EN DE STAD

Jan-Hendrik bakker

Dr. Jan-Hendrik Bakker is filosoof en essayist. Hij publiceerde vele artikelen over literatuur en stedelijke cultuur. Enkele boektitels: Welkom in Megapolis (2008), Grond (2011) en In stilte (2015), verder is hij medewerker van het literaire tijdschrift Extaze, waarin hij regelmatig publiceert. Daarnaast is hij vrijwilliger bij Van Ruytenburch stadslandbouw in Vlaardingen.

Abstract

De twee schijnbaar zeer uiteenlopende denkers Henry Thoreau en Gilles Deleuze zijn het over één ding in elk geval eens: de mens hoort niet aan de grond gebonden te zijn, maar is er wel mee verbonden. Onderstaand essay plaatst dit inzicht in het kader van de discussie over de groene stad. Moet de moderne stedeling weer terug naar de agrarische levensstijl?[1]

Inleiding

Het onderscheid tussen platteland en stad is al sinds de Industriële Revolutie een veel gebruikte tegenstelling. Het platteland staat dan voor traditie, gemeenschapszin en een band met de grond waar men is opgegroeid. De stad daarentegen herbergt de moderne burger die zich bevrijd heeft van de band met kerk en gemeenschap en die zich niet meer afhankelijk voelt van de natuur van zijn geboortestreek. Hoe karikaturaal dit beeld misschien ook mag zijn, er bestaat zeker het ideaaltype van de vrije moderne stedeling en de aan zijn land gebonden agrariër. De moderne kosmopolitische stedeling kan, als hij een zeker welvaartsniveau heeft bereikt, de hele wereld over zwerven, hij is vrij in de keuze van zijn vrienden en heeft vele mogelijkheden ten aanzien van zijn professie. Hij is een hedendaagse nomade, zij het met creditcard.

Tegen de achtergrond van deze tegenstelling is het interessant de recente ontwikkelingen rond de opkomst van de stadslandbouw te doordenken. Stadslandbouw immers zou van de vrije stedeling wel weer eens een grondgebonden, op traditie en gemeenschap gerichte burger kunnen maken. Uiteraard is het de vraag of dat erg is, en of het wel zo’n vaart zal lopen omdat de dynamiek van de stadslandbouw een heel andere is dan die van de grote en kleine agrarische familiebedrijven uit de eerste helft van de vorige eeuw. De vrijheid van de moderne stedeling is bovendien hoofdzakelijk een economische schijnvrijheid, zou betoogd kunnen worden. Hij is eerder footloose dan vrij: hij is een product van het consumptieve kapitalisme, een nowhere man die zich laat leiden door toeristische en financiële bewegingen.[2]

Het idee dat stadslucht vrij maakt terwijl die van mest en hooi ons bindt komt niet uit de lucht vallen. De vrije burger en de zwoegende boer zijn prototypen die al sinds Plato en Aristoteles de beeldvorming beheersen en die we nog lang niet achter ons gelaten hebben. Vaak hebben ze nog maar heel weinig met de werkelijkheid te maken, maar zitten ze vooral in ons hoofd. Mensen zeggen bijvoorbeeld dat ze graag in de stad willen wonen vanwege het vertier en de anonimiteit, terwijl ze in werkelijkheid heel rustig en braaf leven. En lang niet alle plattelanders zijn blij met de sociale druk van het dorpsleven, hoewel ze de gemeenschapszin toch roemen. Deze prototypen zeggen tegenwoordig meer over de wenselijkheid dan over de werkelijkheid.

Grondgebondenheid of de vrije ruimte van de stad. In dit essay wil ik de hardnekkige controverse tussen die twee ideeën relativeren aan de hand van twee (eigenlijk drie) radicale denkers: de Amerikaanse filosoof, natuurliefhebber en schrijver Henry David Thoreau (1817-1862), goeroe voor vele cultuurcritici, en de Franse filosoof Gilles Deleuze (1925-1995). De naam van Thoreau is verbonden met de natuurmystiek van de romantiek en de individualistische pioniersgeest van de Amerikaanse cultuur. Deleuze, een typische ‘stadsfilosoof’, daarentegen hoort met Michel Foucault en anderen thuis in de groep denkers uit de Europese filosofie die ten strijde trokken tegen de macht van de staat en tegen wat zij zagen als het keurslijf van het moderne subject. Deleuze schreef samen met de psychiater Félix Guattari (1930-1992) het tweedelige werk Capitalisme et Schizophrénie, waarvan deel 2, Mille Plateaux (1980), ideeën ontwikkelt over een hedendaags nomadisch bewustzijn. Thoreau’s Walden, Or Life in the Woods(1852) is een klassieker die nog steeds herdrukt wordt en in ons land pas weer een nieuwe vertaling heeft gekregen. Het boek zat in de bagage van de voor veel jongeren tot icoon geworden Chris MacCandless, wiens roekeloze en tragisch verlopen verblijf in Alaska tot het boek en de film Into the Wild (2007) zou leiden.

De komst van de landbouw

De grootste revolutie die de mensheid meemaakte vond twaalfduizend jaar geleden plaats toen de mens ophield in kleine groepjes over de vlakten te trekken, op zoek naar voedsel, en nederzettingen stichtte waar hij de grond ging bewerken en vee begon te houden. Zo is de mens uit het neolithicum de voorouder van de stedeling geworden. De uitvinding van de landbouw had tot gevolg dat de samenleving veel complexer en hiërarchischer zou worden. De landbouw is daarmee historisch gezien de bakermat van de stad. Voor Deleuze en Guattari staat de mens van de open vlakte, de jager-verzamelaar van voor de Nieuwe Steentijd, model in hun kritische gedachtevorming over de repressief georganiseerde kapitalistische stedelijke samenleving van nu. Het nomadisme echter dat zij in Mille plateaux beschrijven is vooral mentaal. Dit nomadisme is geen bijproduct van de geglobaliseerde markt maar heeft alles te maken met het verzet tegen de sedentaire levensstijl van de agrarische cultuur en de stedelijke samenleving die daaruit voortkwam. Hun nomadisme uit zich niet per se in een reizend bestaan, maar vooraleerst in een vrij bewegen van de geest.

Om dat kort uit te leggen moeten we naar het eerste hoofdstuk van Mille plateaux, waarin de auteurs hun concept van het rizoom presenteren. Daarmee geven ze een alternatieve visie op het veelgebruikte beeld van de mens die ergens zou moeten wortelen, wat wil zeggen dat zijn culturele, genetische en historische herkomst verbonden is met de grond waarop hij leeft. Dit beeld is met name voor de agrarische samenleving toepasselijk. De stedelijke mens wordt in deze beeldvorming veelal als ontworteld gezien. Dat laatste werken Deleuze en Guattari echter niet uit. Het is hun er voornamelijk om te doen dat de samenleving vanaf het moment dat die sedentair is geworden allerlei belemmeringen opgeworpen heeft, zowel in de vrije fysieke ruimte in de vorm van gebouwen, akkers en privébezit, als in de sociale ruimte door een toenemende differentiatie van functies en daarmee ongelijkheid en klassenvorming. Het westerse denken is van oudsher hiërarchisch en lineair, betogen zij. Zoals in een boomdiagram een redenering zich stap voor stap vertakkend afgebeeld kan worden, vergelijk het oude scholastieke denken en de 0-1-0-1 structuur van de computer. Deze manier van denken vindt haar analogie in de ‘stratificatie’ (geleding) van de politieke en publieke ruimte zelf. In zekere zin is het allemaal een erfenis van onze cultuurgeschiedenis als landbouwers, suggeren Deleuze en Guattari.[3]

Het rizoom

Tegenover het arboretisch model presenteren Deleuze en Guattari hun beeld van het rizoom, de wortelstok. Deze wijze van worteling in de grond is niet statisch, zoals bij de boom, maar beweeglijk in die zin dat de wortelstok zich onder de oppervlakte horizontaal alle kanten op kan verlengen, afhankelijk van de obstakels die ze tegenkomt zoals stenen en voedselwaarde van de bodem. Waar dat mogelijk is steekt de plant dan weer loten boven de aarde, terwijl andere afsterven. Elke tuinier die met deze woekerplanten te maken heeft gehad, weet hoe lastig dit taaie organisme in toom is te houden. Met het rizoom als metafoor voor het denken dat de Franse filosoof en psychiater op het oog hadden bestrijden zij de westerse intellectuele cultuur, die immers sterk gericht is op een stapsgewijze, lineaire en systematische opbouw. Het rizoommatig denken werkt door middel van impulsen, associaties en onverwachte verbindingen. Het is creatief, in hun ogen, en niet disciplinair. De auteurs citeren dan ook de anarchistisch ingestelde punkartiest Patti Smith: ‘Don’t go for the root, but follow the canal’.

Guattari en Deleuze ontvouwen in hoofdstuk 8 dan hun theorie over ‘de nomadologie en de oorlogsmachine’. Daarin nemen ze de in stamverband rondtrekkende volken van de woestijn, de steppe en de poolgebieden als model voor hun antimoderne en antikapitalistische visie op de westerse cultuur. Ze beschrijven het beweeglijke en nogal egalitaire karakter van de nomadische verbanden. De energie van de jonge krijgers wordt gebruikt voor de jacht en strijd met andere stammen, ten behoeve van de eigen veiligheid en overleving dus. Nomaden hechten niet aan een bepaalde plaats maar ze trekken over de grond, het levensgebied van hun ouders en voorouders, van pleisterplaats naar pleisterplaats, in steeds terugkerende ritmen en patronen. De open vlakte is hun domein. In plaats van geschiedenis hebben zij de geografie.[4] Dit staat allemaal in schril contrast met de stad en de latere natiestaat waar de vrijheid om in groepen rond te reizen aan alle kanten wordt beperkt. De natuurlijke energie van de jonge mannen wordt nu opgeslokt door de staat die met leger en politie zich het geweldsmonopolie toe-eigent.

Anti-Oedipus

Mille plateaux is een zeer moeilijk leesbare verhandeling. Met opzet hebben de auteurs de lineaire argumentatie losgelaten, waarin ze stap voor stap hun visie zouden hebben opgebouwd, maar in plaats daarvan presenteren ze hun denkbeelden in een nomadologische zwerftocht langs de vele aspecten van hun zienswijze. Je kunt het boek sprongsgewijs lezen, kriskras en non-lineair, en al zwervende beginnen de begrippen die de schrijvers introduceren dan met elkaar in gesprek te komen en ontstaat er op den duur toch een vrij duidelijk beeld van waar Deleuze en Guattari heen willen. Zij schetsen de werking en de voorwaarden van de vrije, creatieve geest en zetten deze af tegen het gedisciplineerde denken en handelen van de burgerlijke samenleving. Hun filosofie is in dit opzicht doortrokken van de geest van de jaren zestig, met haar voorkeur voor vrije expressie, associatief denken en antiautoritaire opvoeding.

Het ‘Anti-Oedipus’ van het eerste deel van Capitalisme et schizophrénie duidt op Freud’s latere visie op de vorming en disciplinering van het ego tot een maatschappelijk en cultureel aangepaste staatsburger via het zogenoemde oedipale proces, waarbij het jonge kind in harmonie moet zien te komen met de seksueel geladen relatie tussen vader en moeder en zo zijn eigen rol in de samenleving leert begrijpen.[5] Het is de tijd van de antipsychiatrie, wanneer Deleuze en Guattari hun boek schrijven. Verzet tegen de psychiater als temmer van de menselijk creativiteit is hun niet vreemd. Freud’s theorie van het ego, de instantie in het bewustzijn die onze onbewuste impulsen probeert te regelen in overeenkomst met de realiteit van de samenleving, is hun een doorn in het oog. In hun opvatting gaat het immers om pure repressie. Zij pleiten van de weersomstuit voor de schizofrene mens die de pluriformiteit en heteronomie van het onbewuste toelaat.

Henry Thoreau

Als Deleuze en Guattari het hebben over het nomadische dan bedoelen zij vooral het vrij bewegende en associatieve vermogen van de geest. Dat heeft nog maar weinig te maken met het concrete land en de grond waarover de nomaden zich plegen voort te bewegen. Toch, hoe metaforisch hun gebruik van de antropologie hier ook is, net als het rizoom is de nomade een beeld dat direct ontleend is aan het aardse leven. Het cultuurhistorische schisma tussen nomadisch en sedentair klinkt er overduidelijk nog in door. Laten we nu eens kijken naar werk en leven van Henry Thoreau die ruim 130 jaar voor Mille plateaux de aanval op de industriële samenleving inzette met zijn ideeën over zelfvoorzienendheid, natuur en vrijheid. In zekere zin keert Thoreau terug naar de natuurstaat van de mens als jager-verzamelaar. Hij verbouwt bij zijn hutje in het bos weliswaar wat bonen, maar hij vist en jaagt ook (voordat hij vegetariër zou worden). Thoreau combineert tuinbouw en jacht, maar in stamverband leeft hij niet; in tegendeel, hij heeft zich geheel op zichzelf teruggetrokken. Als hij communiceert is dat met de leden van de dorpsgemeenschap van Concord, vrienden, familieleden en mensen die hij in het bos tegenkomt.

Thoreau’s experiment heeft grote bekendheid gekregen. Zijn status varieert van held tot dwaas, maar zijn invloed is groot, als schrijver, als ecoloog en als filosoof. Zijn invloed vind je terug op met name drie terreinen. In de eerste plaats is het experiment dat hij uitvoerde met zijn tweejarig kluizenaarsbestaan in de bossen van Massachusetts bij Walden Pond model gaan staan voor de mens die in zijn eentje de inspiratie van de natuur zoekt en daarbij zo zuinig mogelijk probeert te leven. Zijn woorden dat hij ‘bewust wilde leven, om me alleen met het wezenlijke bezig te houden en te onderzoeken of ik niet kon leren wat het leven me moest leren, zodat ik niet op mijn sterfbed zou moeten ontdekken dat niet geleefd had’[6] zijn wereldberoemd geworden. Thoreau is de geestelijk vader van al die idealisten die menen dat de kern van het leven in de eenzaamheid van de natuur te vinden is.

Naast dit existentiële niveau is er een maatschappelijk aspect. Thoreau is de geestelijk vader van het verzet tegen de toen opkomende consumptiemaatschappij. Op zijn stukje grond bij het meer is hij volmaakt gelukkig, zo beschrijft hij dat in Walden, Or Life in the Woods. Niets lekkerder dan een slok helder fris water, niets mooier dan een lange tocht rond het meer. Bevrijd van geldzorgen en productiedwang om zijn schulden te voldoen, hoeft hij maar zes weken in het jaar te werken om in zijn elementaire behoeften te voorzien, zo pocht hij tegenover de lezer.

En ten derde zou je Thoreau in dat verband ook kunnen zien als de inspirator van latere bewegingen die geprobeerd hebben leefgemeenschappen buiten de machtige economische werkelijkheid van de stad op te zetten, waarin kleinschaligheid en autarkie belangrijk zijn. In Nederland vernoemde Frederik van Eeden (1860-1932) zijn (jammerlijke mislukte) kolonie naar Walden. De latere hippie-kolonies zijn een voorbeeld, maar ook het actuele gedachtegoed van de ideologen van de transitiestad, zelfvoorziening op terrein van energie en voedsel, sluit aan bij Thoreau’s experiment. Een laatste invloedrijke factor is Thoreau’s politiek-ethische houding geweest. Zo weigerde hij belasting te betalen en zijn stemrecht uit te oefenen, omdat de staat daarmee een imperialistische oorlog tegen Mexico en de instandhouding van de slavernij financierde en legitimeerde.

Historische werkelijkheid

Het is verstandig om in de mythevorming rond charismatische figuren de historische persoon van de ideële te onderscheiden. De historische Thoreau had zijn verblijf in Walden oorspronkelijk helemaal niet bedoeld als revolutionair experiment. Daarover is al veel gezegd. Ik vat de situatie kort samen: Henry Thoreau besloot na een ongemakkelijk verblijf in het huis van zijn vriend Ralph Waldo Emerson een hut op diens landgoed te bouwen en daar een boek te schrijven dat hij al op stapel had staan. Het boek moest de grote verwachtingen die zijn vrienden in Concord koesterden nu eindelijk eens inlossen. Bovendien wilde Thoreau een morele schuld ten opzichte van zijn pas overleden broer vereffenen door het boek aan hem en de boottochten die ze samen op de rivieren van Massachusetts hadden gemaakt te wijden. Ook had hij praktisch geen geld, dus zo’n goedkoop en rustig verblijf in de bossen leek hem wel wat. Zijn vriend Ellery Channing was hem bovendien al eens voor gegaan met een lang verblijf in het bos. Natuurliefhebber was Thoreau altijd al geweest en voor een bord warm eten kon hij altijd bij zijn moeder terecht, die maar anderhalve mijl van de hut woonde die hij aan het meer zou bouwen.

Het boek Walden is pas geschreven in de jaren nadat Thoreau zijn verblijf in de bossen had beëindigd, al heeft hij tijdens zijn verblijf wel veel notities gemaakt. Maar het verhaal rond Thoreau als een soort Messias van het natuurlijke en eenvoudige leven is pas later in retrospectief tot stand gekomen. In het boek zelf zijn ook nog diverse sporen te vinden die naar deze ambiguïteit wijzen. En zoals gezegd, het is maar de vraag in hoeverre hier van persoonlijke ambiguïteit sprake is of dat Thoreau als het ware postuum onder te hoge verwachtingen van zijn latere lezers is gaan lijden. Waar het mij in deze discussie vooral om gaat is dat Walden een zeer overtuigend en inspirerend meesterwerk is geworden, een visie op en verslag van het leven dat niet geregeerd wordt door de consumptie- en productiedwang van de industriële samenleving. En het lijdt geen twijfel dat juist het verblijf van Thoreau in de bossen bij Concord, zijn kennis van de nomadische indianen die daar ooit leefden, van de botanische en geologische bijzonderheden van het landschap en zijn kritiek op de economische ontwikkelingen in de omringende regio samenkomen in dit boek.

Het boek Walden is het resultaat van een rizoommatig proces om dat woord nu te gebruiken. Het is bijna alsof dit boek letterlijk uit de grond van Thoreau’s verblijf bij Walden Pond is voortgekomen. De wortelstok waaruit het ontspruit verbindt het bijvoorbeeld ook met Emerson’s essay Nature (1836) en Self-Reliance (1841), precies de onderwerpen die Thoreau eveneens heel na aan hart lagen. In zijn hut bij het meer heeft hij vele gesprekken gevoerd met geestverwanten uit de groep transcendentalisten waartoe hij behoorde en waarvan Emerson min of meer de frontman was. Maar je kunt ook zeggen dat Thoreau’s werkwijze om achteraf een boek te schrijven over zijn verblijf in de bossen alsof hij daar met vooropgezette bedoelingen heenging typisch rizoommatig was; hij liet zich leiden door de associaties die al doende ontstonden, overigens niet nadat het oorspronkelijke boek, A Week on the Concord and Merrimack Rivers (1849), geflopd was en hij dringend om geld verlegen zat, maar dat is hoe het rizoom zijn weg vindt, door een wirwar van verwachte en onverwachte obstakels, gedreven door bewuste en onbewuste motieven.

Grootschalige landbouw

Thoreau spreekt in Walden niet tot het wereldpubliek dat hij tegenwoordig heeft, maar tot de inwoners van Concord. Over hen schrijft hij ook. Zijn kritiek op de opkomende industriële samenleving krijgt bij hem vooral een agrarische invulling, afgezien van zijn beschrijving van de pas aangelegde spoorlijn waarover de stoomtrein van Fitchburg naar Boston rijdt en waarvoor hij heimelijk wel een soort bewondering lijkt te hebben. Maar hij ziet aan de boeren in Concord hoe de groei van hun productie hen het leven moeilijk maakt. Ze moeten ‘opschalen’, zo eist de moderne tijd. Maar daarvoor zijn steeds meer machines nodig, en om die af te betalen moeten ze ook steeds weer meer produceren, et cetera. Zo zitten ze gevangen in de vicieuze cirkel van investering, productie en rendement. Dat bindt hen met handen en voeten aan hun land en hun boerderij, waar meestal ook nog een forse hypotheek op ligt. De ‘stille wanhoop’ van deze mensen is volgens Thoreau dat ze niet aan het leven toekomen; ze moeten hard werken om hun schulden af te betalen en in feite doen ze dat niet met geld, maar met tijd en dus met leven.[7]

Thoreau stelt tegenover de grootschalige landbouw van Concord en omgeving de subsistentie-tuinbouw van zijn eigen bestaan. Hij verbouwt wat hij zelf nodig heeft om in leven te blijven, zoals mensen dat eeuwen lang gedaan hebben. Daarmee is hij eigenlijk één van de kleine armoedige keuterboertjes die de hele geschiedenis tot aan de Industriële Revolutie bestaan hebben. Het verschil is dat zijn armoede in dit geval zijn kracht is. Zijn zelfvoorzienendheid maakt hem vrij, hij heeft tijd voor het echte leven. Dit ideaal komt voort uit de nauwe samenhang tussen autonomie en autarkie, zoals die bij Thoreau naar voren komt. Het vrije individu is de kern van zijn denkwereld, waar vrijheid twee dimensies heeft: het is enerzijds vrij zijn van economische en politieke dwang, maar anderzijds ook vrijheid om het leven te genieten. Voor Thoreau gaat het om beide, zijn individualisme is gericht tegen bemoeizucht van staat en economie (hij is niet voor niets de uitvinder van de term ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’), maar wordt gevoed door de vreugde van het leven in de vrije natuur.

De groene stad

De filosofische levensvisies van Deleuze en Guattari en van Thoreau zijn van betekenis voor de actualiteit van de groene stad. Dit essay sluit daarom af met een korte vergelijking van de overeenkomsten tussen beide visies op dit vlak. Het spreekt voor zichzelf dat grootschalige intensieve landbouw en de stad elkaar niet verdragen. Grootschalige landbouw is industriële, bedrijfsmatige exploitatie van grond die hoogstwaarschijnlijk noodzakelijk blijft om de wereldbevolking te kunnen voeden, al blijft de vraag in welke mate en hoe intensief. Stadslandbouw daarentegen is in essentie een vorm van tuinbouw. De horticultuur is veel flexibeler en heeft een andere cultuurhistorische achtergrond. Deleuze en Quattari wijzen daarop in hun verhandeling over het rizoom.[8] Het Westen, waar het bos de oorspronkelijke habitat is, heeft zich arboretisch ontwikkeld en daar ontstonden de steden uit de landbouw, het Oosten heeft de steppe en de woestijn als habitat, benadrukken zij; tuinbouw in oases of langs vruchtbare plekken is daar veel gebruikelijker. Daarin drukt zich ook een mentaal verschil uit.[9]

In dezelfde inleiding waarin zij de eerder geciteerde regels van de punkzangeres Patti Smith aanhalen gaat het ook over de hedendaagse Amerikaanse stedelijke cultuur. Zeer terecht merken Deleuze en Guattari op dat de Verenigde Staten een tussenpositie innemen tussen de statische, sedentaire wereld van het oude Europa en de lossere, vaak ook nog tribalere Aziatische wereld. Een figuur als Henry Thoreau hoort in die conceptie goed thuis, heb ik laten zien. Met de tribale samenleving heeft hij weliswaar weinig te maken, en hij leefde ook in de door bomen gedomineerde bossen, maar zijn leefwijze is exemplarisch voor het nomadisme. Hij heeft een zwervende geest en trekt er ook letterlijk graag op uit. Hij is tuinier en verzamelaar van wilde vruchten en planten. In niets lijkt hij op een gevestigde boer. Niet voor niets is hij, samen met zijn tijdgenoot Walt Whitman, een van de inspiratiebronnen van de beatgeneratie uit het midden van de vorige eeuw geweest, de typisch Amerikaanse generatie die ruimte en vrijheid zocht in het ‘on the road’ zijn.[10]

Voor Thoreau is vrijheid in de zin van onafhankelijkheid en een door de eeuwigheid van de natuur geïnspireerd leven, niet of nauwelijks beïnvloed door de dwang van economische wetten, de kern van zijn filosofie en levenswijze. Deze wijsheid is geen theoretische vondst, gedaan boven de boeken in de beslotenheid van de studeerkamer maar een inzicht dat ontwikkeld is door zich een bestaan te veroveren op een stukje grond, in samenspraak met de natuur en zijn (Thoreau’s) geestverwanten. In de huidige urbane wereld, waar de grondeloosheid die ontstond na de Industriële Revolutie regel is[11], is vergroening van de stad een kansrijke ontwikkeling voor mens en natuur, in het verband van dit essay met name voor een herstel van de verbondenheid tussen mens en aarde. Maar dat herstel hoeft geenszins een restauratie te zijn van de traditionele agrarische, sedentaire cultuur die grond- en plaatsgebondenheid stelt boven grondverbondenheid.

Stadslandbouw staat in principe dichter bij de tuinbouw van de post-nomadische culturen dan bij de agricultuur van de grootschalige landbouw. Ze heeft een veel meer rizoommatige organisatiestructuur. Stadslandbouw duikt op waar er lege plekken in de stad zijn, in oude gebouwen of op braakliggende terreinen. Ze kan zich ook relatief makkelijk verplaatsen. Rond de stadslandbouw vormen zich sociale netwerken of ze ontstaat uit sociale netwerken, of beide, maar anders dan de grootschalige agricultuur fixeert ze de menselijke bedrijvigheid niet, ze verbindt zich zelfs vrij gemakkelijk met andere initiatieven op het terrein van de zorg, horeca en kunst en cultuur. Dit alles is eigenlijk geheel in de geest van Thoreau en Deleuze. Hoewel de stadslandbouw het wereldvoedsel probleem nooit op kan lossen, kan ze – met deze twee denkers in het achterhoofd – wel een grote bijdrage leveren aan een ontspannen stad en daarmee aan een circulaire schone economie.

Naast de vergroening van de stad is een belangrijk effect van de stadslandbouw ook psychosociaal. Ze heeft een verbindende werking. Die verbinding is er één in de fysieke wereld en niet in de digitale. De grond bewerken, oogsten, je producten afzetten en bespreken wat er zoal moet gebeuren is lokaal bepaald. De verbinding met de (woon)stad als plaats van handeling die daardoor ontstaat versterkt een besef van de stad als thuishaven, zonder dat daarbij een terugval dreigt in de dorpse plattelandscultuur van de vorige eeuwen. Dat leert ons de vergelijking tussen Thoreau en Deleuze. De losse en incidentele structuur van de stadslandbouw is eerder rizoomachtig dan statisch. Deze maakt de moderne, individualistische mens toch weer net iets minder de nowhere man over wie The Beatles zongen. De werkelijke tegenstelling is niet langer die tussen boer en burger, maar tussen de burger die gehecht is aan de plaats waar hij woont en de volledig onthechte burger. De hedendaagse filosofie heeft al vaak geopperd dat de identiteit van de mens veel minder met het wie hij is samenhangt, maar vooral met het waar hij is. Het is een inzicht dat in deze vergelijking tussen nomade, boer en burger extra betekenis krijgt.

[1] Deze vergelijkende studie is gebaseerd op het materiaal dat ten grondslag ligt aan het hoofdstukken ‘De wijde vlakte, Nomaden en hun grond ’ en ‘Het land in de stad’ uit mijn essayboek Grond alsmede het hoofdstuk ‘Autarkie – Henry Thoreau’ uit In stilte. Daar is ook alle secundaire literatuur te vinden.

Bakker, J-.H (2015), In stilte, Een filosofie van de afzondering, Amsterdam

Bakker, J-.H. (2011), Grond, Pleidooi voor aards denken en een groene stad, Amsterdam

Deleuze, G. (2008), & Félix Guattari, A Thousand Plateaus, Capitalism and Schizofrenia (Volume II, New York)

Thoreau, H.D. (2005), Walden/ Burgerlijke ongehoorzaamheid, vertaling Anton Haakman, Amsterdam.

[2] Footloose: Dat de moderne mens zich makkelijk verplaatst, van stad naar stad, van baan naar baan, van vakantiebestemming naar vakantiebestemming, en daarbij steeds minder hechting ervaart aan wat hij achterlaat is vooral een kwestie van ‘following the money’. Omdat de behoefte aan herkenning ondertussen wel blijft – de mens stort zich niet zo makkelijk in het vreemde – leidt globalisering om die reden alleen al tot eenvormigheid.

[3] In hoeverre zij daarin gelijk hebben staat der discussie. Maar men dient er in dit debat rekening mee te houden dat voor Deleuze en Guattari ‘de boom’ een concept is van waaruit analogieën gedacht kunnen worden. Het is geen model voor causaal verklaring.

[4]Deleuze, G. (2008), A Thousand Plateaus, New York 387 e.v., 523 e.v.;
Bakker, J-.H.( 2011), Grond, Amsterdam, 222.

[5] Deleuze, G. 2008, 29

[6] Thoreau. H.D. ( 2005), Walden/Burgerlijke ongehoorzaamheid, Amsterdam, 106

[7] Thoreau, H.D. 2005, 42

[8] Deleuze, G. 2008, 21

[9] In het associatieve denken van Deleuze en Guattari krijgt deze veronderstelling weinig uitwerking. Ze lijken vooral te bedoelen dat tuinbouw zich laat combineren met een min of meer reizend bestaan; op vruchtbare lapjes grond kan men tijdelijk in zijn (eigen) behoefte aan voedsel voorzien, waarna de stam weer verder trekt. Grootschalige landbouw impliceert industriële productie, een afzetmarkt en een systeem van grondbezit en/of –pacht, die verstrekkende gevolgen hebben voor de levenswijze.

[10] In 2013 verscheen het autobiografische relaas Walden on Wheels, On the Open Road from Debt to Freedom, door Ken Ilgunas. Hierin neemt de student Ilgunas Thoreau’s levenswijze als voorbeeld om zich te bevrijden van zijn studieschuld, al zwervende in een busje door de natuur.

[11] Bakker, J-.H. 2011, 39

This entry was posted in Artikelen. Bookmark the permalink.

Comments are closed.