“Onze huidige economie wordt geleid door het winstprincipe. Maar het moet geleid worden door principes als duurzaamheid en rechtvaardigheid.”

DE CRISIS EN HET POTENTIEEL VOOR EEN GEBRUIKSWAARDENECONOMIE

 Interview met Lou Keune
Door Rutger Henneman

Lou Keune is econoom en socioloog en voormalig universitair hoofddocent van de Faculteit Sociale Wetenschappen (FSW) aan de Katholieke Universiteit Brabant (KUB). Hij is medeoprichter van het Platform Duurzame en Solidaire Economie. Na zijn studie economie in de jaren ‘50, ging Lou Keune werken in Colombia waar hij voor het eerst te maken kreeg met kritische boerenbewegingen en de Latijns-Amerikaanse politieke economie. Sindsdien doet hij onderzoek naar o.a. ongelijke geldstromen tussen Noord en Zuid en naar manieren om economische waarde te baseren op menswaarden en natuurwaarden. Met dit onderzoek onderbouwt hij een programma van concrete hervormingen om sociale bewegingen en de politiek te adviseren bij het streven naar een duurzame en solidaire economie.
www.loukeune.nl, www.platformdse.org

 

Crisis

Leven we in een tijd van crisis?

Dat vind ik een moeilijke vraag. Het gaat erom wat je bedoelt met crisis. De huidige economische manier van denken richt zich maar op een aantal aspecten van die crisis. We kijken te vaak alleen maar naar Nederland en alleen maar naar de economische cijfers van groei of krimp en werkloosheid. Deze problemen wil ik niet veronachtzamen. Werkloosheid is een enorm drama voor mensen. Het groeit nu met tienduizenden per week. Maar als je alleen naar het BBP en de werkloosheid in Nederland kijkt, dan lijkt het alsof we alleen de laatste jaren in een crisis terecht komen.

Ik vind zelf dat we hier in Nederland al heel lang in een crisis zitten. Het BBP is natuurlijk een hele slechte maatstaf. Iedereen wordt nu heel zenuwachtig omdat het BBP opeens niet meer stijgt. Maar als je naar de ‘ index of sustainable economic welfare’ kijkt dan bevinden we ons al sinds eind jaren ’70 in een stilstand of krimp. Als je kijkt wat er ecologisch aan de hand is, dan hebben we al sinds het einde van de jaren ’70 een heel groot probleem. Als je het BBP corrigeert voor de ecologische voetafdruk, dan hollen we achteruit. In die zin is er sprake van een verschrikkelijke ecologische crisis.

Ook heerst er al heel lang een sociale crisis. Wereldwijd gezien is Nederland een onderdeel van één mondiaal economisch systeem. In dat mondiale systeem is er sprake van een enorme wereldarmoede. Nog steeds moet 40% van de wereldbevolking het doen met minder dan 2 dollar per dag per persoon. Armoede is natuurlijk op zich al een enorme sociale crisis. Als je ziet wat armoede doet, bijvoorbeeld de massa-emigratie die het teweeg brengt naar de krottenwijken in de stad. En daarmee de toename van criminaliteit in de stad. Immigratie en fundamentalistische bewegingen zijn een uitdrukking van die crisis. Dus ook in die zin zitten we al een hele tijd in een crisis.

Hoezeer Nederland onderdeel is van die mondiale crisis zie je ook als je sociale en ecologische aspecten meerekent bij het schulden-vraagstuk. Normaal gesproken heeft men het alleen over financiële of ‘gemonetariseerde’ schulden. Derde Wereldlanden hebben veel financiële schulden. Maar over ecologische schulden, daar heeft bijna niemand het over. Met het Platform voor een Duurzame en Solidaire Economie hebben we berekeningen gemaakt over deze ecologische schulden. Wij hebben in één jaar een ecologische schuld opgelopen van in geld uitgedrukt enkele honderden miljarden euro’s. Daarbij valt de financiële schuld volledig in het niet.

Wouter Bos, toen hij nog Vicepremier was, schreef een aantal jaar geleden een artikel in de Volkskrant. Hij schreef dat er niet alleen een economische crisis heerst, maar ook een sociale en ecologische. Daar hoor je tegenwoordig niks meer over. Het debat gaat helemaal over de zes miljard die we moeten bezuinigen van de Europese Commissie. Zo’n getal krijgt mythische proporties. Allerlei onderliggende vraagstukken verdwijnen uit beeld.

 

Welke mensen lijden het meest onder de crisis?

Als iemand die een ton verdient het opeens moet doen met vijftig duizend, dan wordt hij of zij armer. Maar de grootste slachtoffers vind je in ontwikkelingslanden. Bijvoorbeeld mensen die in een confectiebedrijf werken in een land als Bangladesh. Of kinderen van een prostituee in Nicaragua waarover ik geschreven heb in mijn laatste boek.[1] Die kunnen nauwelijks het hoofd boven water houden. En het gaat hier om enkele miljarden mensen.

De discussie over armoede is erg moeilijk. Mensen die in Nederland leven van een bijstandsuitkering, zitten nog steeds in het bovenste ventiel van het wereldinkomen. Zij horen tot de 20 % rijksten van de wereld. Als je vraagt naar oplossingen, dan is voor mij herverdeling een belangrijk onderwerp. Maar dan zie je dat mensen waar we in Nederland voor op moeten komen, mondiaal gezien tot de rijkeren behoren. Dat maakt het heel moeilijk om een perspectief te ontwikkelen over hoe je hier in Nederland een andere economie kan ontwikkelen die duurzaam en solidair is.

Mensen die in Nederland van een uitkering leven hebben verschrikkelijke problemen die ik niet wil wegpoetsen. Mensen die jaar in en jaar uit afhankelijk zijn van de voedselbank. Kinderen die niet mee kunnen gaan op een schoolkamp. Dat zijn verschrikkelijke ervaringen. Maar vergeleken met de kinderen die ik geïnterviewd heb in Nicaragua, is dat kinderspel. Die zijn blij als ze iets te eten hebben. En de buurvrouw moet die meisjes in de gaten houden, zodat ze niet de prostitutie in gaan. Of één van de jongens zegt ‘ik ga ook naar El Norte,’ de Verenigde Staten. De reis en het leven wat ze dan induiken is één groot drama. Dat soort problemen kijken elke dag om de hoek in dit soort wanhopige omstandigheden.

 

Wat zijn volgens u de oorzaken of fundamenten van de crisis, zoals u die schetst?

Die vraag kan je op twee niveaus beantwoorden. Onder al deze crisiservaringen liggen concrete maatschappelijke structuren. En daaronder bevindt zich een maatschappelijk systeem. Als het gaat om concrete structuren dan moet je denken aan de enorme expansie van de monetaire sector. Met name het particuliere bankwezen. De vrijheid die banken sinds de jaren ’70 en ’80 mondiaal gekregen hebben om zelf geld te creëren, heeft ertoe geleid dat 90% van de geldcreatie op dit moment verricht wordt door particuliere banken en andere financiële instellingen. Ik ben erg voor het inkrimpen van die geldhoeveelheid, en ook van het beperken van het recht op geldcreatie. Alleen de overheid zou dat moeten mogen doen.

 

Hoe leidt geldcreatie tot armoede?

Er wordt geld gecreëerd wanneer geld uitgeleend wordt. Daar zijn verschillende manieren voor. Bedrijven kunnen geld lenen van banken. Er kunnen overheidsobligaties uitgegeven worden. En we kennen ook de problemen van de hypotheekschulden in de Verenigde Staten. Daar zit geldcreatie in. Het gecreëerde geld komt bij mensen terecht. En die worden rijk. Op verschillende manieren gaat die rijkdom ten koste van mensen die al in armoede leven. Bijvoorbeeld door het fenomeen van ‘land grabbing’. Bedrijven die geld lenen kunnen daarmee land onttrekken van allerlei boeren en boerinnen.

Een socioloog uit Wageningen heeft bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar een bepaald gebied in Peru, waar veel vruchtbare grond is en waar boeren zich decennia lang goed staande hebben weten te houden. Toen werd er op de internationale markt ontdekt dat je veel geld kan verdienen met het telen van asperges. Buitenlandse ondernemingen hebben voor een habbekrats veel grond opgekocht. Je hebt snel van een arme boer grond gekocht, want er hoeft zich maar iets voor te doen in een gezin, bijvoorbeeld een ziekte of kinderen die naar school willen, en dan wordt er dikwijls grond verkocht. Die gronden worden dan opgekocht door de grote moderne agri-business. En de boeren verliezen een bron van bestaan.

In alle ontwikkelingslanden kopen dit soort bedrijven de beste grond op. Het gebeurt bijvoorbeeld ook in Burkina-Faso. De sperzieboontjes die wij in de winter eten, komen van grote moderne bedrijven die de beste grond opkopen. Lokale boeren worden daardoor nog meer gemarginaliseerd. En het gaat niet alleen over land. Voor deze sperzieboontjes pompen de bedrijven ook al het water op. Het gaat namelijk om zeer water-intensieve productie. En die kleine boeren hebben niet zo’n pomp. Hun land droogt uit. In sommige gevallen zie je midden in een nieuwe woestijn een paar arealen die fantastisch productief zijn.

Dus, internationale bedrijven kunnen heel gemakkelijk geld lenen om hun internationale expansie te financieren. Zij krijgen de beschikking over natuurlijke hulpbronnen ten koste van boeren die niet makkelijk toegang hebben tot die leningen. En die verarmde boeren trekken weer naar de stad met alle gevolgen van dien. Zo ontstaat er dus armoede door geldcreatie.

 

U noemde geldcreatie als één voorbeeld van de concrete sociale structuren onder de crisis van onze tijd. Wat zijn andere voorbeelden?

Handelsliberalisatie is een ander voorbeeld. Dat is het vrij maken van handel, vooral onder invloed van de WTO (World Trade Organisation) en ook de Europese Unie. Die vrijhandel heeft wereldwijd iedereen met iedereen in concurrentie gebracht. Om een voorbeeld te geven: arme textiel arbeiders in Nicaragua concurreren met arme textielarbeiders in Honduras. Opeens verplaatsen een flink aantal maquiladora’s (dat zijn die confectie-industrieën waarin niet alleen kleding maar ook speelgoed samengevoegd wordt) hun industrie naar Managua, de hoofdstad van Nicaragua. Waarom? Omdat de lonen in Managua nog lager zijn dan in Tegucigalpa, de hoofdstad van Honduras. Bedrijven hoppen van het ene land naar het andere, of dreigen daarmee.

Ik heb jaren lang berekeningen gemaakt van de ‘omgekeerde ontwikkelingshulp’. Ik heb geprobeerd een vergelijking te maken tussen de stromen geld die naar ontwikkelingslanden toegaan en de stromen die aan ontwikkelingslanden onttrokken worden. Ik heb geprobeerd alle stromen mee te rekenen: belastingontwijking, ongelijke ruil, verslechtering van de ruilvoet, winstafvloeiingen, leningen, rentebetaling, enz. Ik heb dat onderzoek een keer of vier herhaald. En telkens zie je dat er meer aan ontwikkelingslanden onttrokken wordt, dan er terugstroomt. En dat is mogelijk door handelsliberalisatie.

Neem het voorbeeld van de kippenboutjes wat Barneveld wereldberoemd, of wereldberucht, heeft gemaakt. In Nederland kopen wij geen kippenboutjes of kippen, die we zelf uit elkaar moeten halen. Het vlees moet al gefileerd zijn. Dat betekent dat de botten er al uitgehaald moeten zijn. Om die botten zit dikwijls nog wat vlees. Voorheen werd dat vlees weggegooid. Totdat in Barneveld een grote kippenslachter besefte dat er een vrijhandelsverdrag bestond met Ghana. Dat betekende voor hem dat hij het afval goedkoop kon exporteren naar Ghana. Tegelijkertijd waren ontwikkelingsorganisaties als OxfamNovib bezig in Ghana, om vooral de vrouwen te helpen om kleine kippenboerderijen te beginnen om de kippen en eieren verkopen. Die ontwikkeling was net aardig op gang gekomen, toen die Barnevelder (en meerderen met hem) met zijn slachtafval op de markt kwam. Ik wil geen ethisch punt maken. Ik wil niet zeggen dat hij een grote boef was. Het gaat me vooral om de processen. Maar de markt van die nieuwe opkomende kippenfokkers werd enorm verstoord. Die boerinnen, het waren dikwijls vrouwen, waren in één klap hun markt kwijt.

 

Dus geldcreatie en marktliberalisatie zijn fundamentele concrete structuren van de crisis van onze tijd. Je vertelde dat er aan die structuren een systeem ten grondslag ligt. Wat bedoel je daarmee?

Onder die structuren ligt het systeem van de neoliberale economie. In de jaren ‘70 heeft er een overgang plaats gevonden van een sociaal-democratische visie naar een neoliberale visie. Volgens het neoliberale denken moet de overheid teruggedrongen worden. Deregulering en privatisering zijn de recepten van handelsliberalisatie. Ook de vrijheid voor banken is een uitdrukking van dit type denken. Sinds Thatcher en Reagan heeft dat denken zich op een hele effectieve manier in de politiek genesteld. ‘Natuurlijk moet de markt het oplossen. Eigenlijk heb je geen overheid nodig, alleen voor al het bittere noodzakelijke, zoals het bewaren van de orde door de politie.’ En zelfs de politie is nu voor een deel geprivatiseerd met al die bewaking. Zover is dat gegaan. De essentie van dat denken is een stelsel van laissez-faire. Dat betekent dat de overheid niks mag doen, maar wel altijd moet zorgen dat de markt optimaal bediend wordt. De overheid moet de voorwaarden voor de markt organiseren.

 

Je hebt het over het neoliberale systeem, maar ook over het neoliberale denken. Is daar een verschil tussen? Is het systeem iets anders dan het denken of is dat hetzelfde?

Het denken is onderdeel van het systeem. Ik vind mezelf geen Marxist, maar wat dit betreft kan ik me wel vinden in zijn onderbouw-bovenbouw gedachte. Het gaat om het denken zowel als het politieke niveau, zowel als de concrete productieverhoudingen via welke allerlei zaken geregeld worden. Het gaat dus zowel om denken als doen.

Je zag in Nederland en o.a. ook hier op de universiteit in Tilburg dat het neoliberale denken binnen recordtijd dominant is geworden, in de praktijk van de economie, onder economen, en vertaald in al hun abstracties en wiskundige modellen. Economische Nobelprijswinnaars zijn over het algemeen wiskundigen die iets heel interessants hebben uitgedacht, maar waarvan het onduidelijk is wat de werkelijkheid erachter inhoudt. In andere woorden, binnen recordtijd heeft er een verkeerde metanoia plaats gevonden: een bekering in omgekeerde richting. De term ‘prijsbeleid’ was in de jaren ’40 en ’50 en begin jaren ’60, een geaccepteerd begrip. Natuurlijk had je het als econoom over prijsbeleid! Nu is het enige prijsbeleid zorgen dat er geen prijsbeleid is. Dat geldt ook voor de term inkomensbeleid. Dankzij het inkomensbeleid hebben we in Nederland een heel effectief systeem van sociale zekerheid ontwikkeld. Er mankeert het één en ander aan. Maar het gaf stabiliteit in de economie. Het continueerde een duidelijke vraag. En het maakte allerlei zaken minder riskant. En dat behoorde tot het normale denken. En plotseling is dat helemaal anders.

Dat die verandering zich heeft voorgedaan heeft niet alleen te maken met de invloed van bepaalde denkscholen in de Verenigde Staten. Deze denkscholen waren natuurlijk erg effectief, met name binnen het IMF en de Wereldbank, maar ook binnen het Amerikaanse ministerie van handel. De Chicago Boys met Milton Friedman hebben bijvoorbeeld het experiment uitgevoerd met Pinochet in Chili. Dat was één van de experimentele gebieden. Pinochet gaf ze alle ruimte. Het IMF en de Wereldbank hebben een belangrijke rol gespeeld bij schuldenkwesties zoals bij de schulden van Engeland. Het IMF is eind jaren ‘70 Engeland komen helpen. Maar als tegenprestatie moesten er ook hervormingen plaatsvinden, privatiseringen en het afbreken van de sociale zekerheid.

Daarnaast heeft die verandering in het denken ook te maken met grote systeemfouten in het denken van de sociaal-democratie: het oneigenlijke gebruik van uitkeringen en de verbureaucratisering. Dat was een terechte kritiek op sociaal-democratische stelsels. Maar dat het neoliberale denken zo dominant is geworden heeft natuurlijk vooral ook te maken met het einde van de Koude Oorlog en daarmee het zogenaamde ‘einde van de ideologie’. Opeens was er geen tegenstelling meer tussen Oost en West. Er was geen alternatief meer. Die muur is gevallen. En nu?

 

Naar een Gebruikswaardeneconomie

Wat is jouw visie voor een alternatief?

Laten we beginnen op het meest fundamentele niveau. Er moet een overgang komen naar een maatschappelijk stelsel waarin niet geldwaarde leidend moet zijn maar gebruikswaarde. Daarvan bestaan twee hoofdcategorieën: menswaarde en natuurwaarde, zowel in de zin van bronnen van bestaan als in de zin van doelen waar we naar streven. Als je het hebt over menswaarde dan spreek je over mensen die een bepaalde energie hebben zodat ze kunnen werken om dingen te doen. En tegelijkertijd spreek je over mensen die als doel gezien worden, bijvoorbeeld bij het garanderen van onderwijs en gezondheid. En dat geldt ook voor natuurwaarde: natuur als bron, maar ook als doel.

Het denken alleen in termen van geld is primitief. Het verengd de crisis tot 0,1% krimp van het BBP. Het is ook primitief om te zeggen dat we geld gaan afschaffen. We gaan geld niet afschaffen en ook de markt niet. Maar we moeten er voor zorgen dat gebruikswaarden de economie gaan domineren. De economie draait dan veel meer om allerlei zaken die er echt toe doen. Dan zal bijvoorbeeld de ecologische voetafdruk een van de belangrijkste economische maatstaven gaan worden. Dat is het type overgang die we door moeten maken.

 

Kun je iets meer vertellen over wat je bedoelt met gebruikswaarden?

Heel oorspronkelijk leefde men in een verzamelaarseconomie. Voor die verzamelaars ging het helemaal niet om geld. Er was nog nauwelijks geld. In essentie was het een economie waarbij het er vooral om ging wie de mogelijkheid had om te jagen, wie gezond en sterk is om te jagen. En aan de andere kant ging het om de vraag ‘Wat hebben we nodig?’. We moeten eten hebben. En moeder wordt wel erg oud. We moeten haar voeden, want ze kan zelf niet meer werken. Dat was het type denken. Dat kan gevat worden in de term gebruikswaarde in de zin van bronnen van bestaan. Er werd vooral gekeken naar de materiële en psychologische mogelijkheden die tot bestaanszekerheid kan leiden en ook tot een groei in welvaart. Er werd niet in eerste instantie gedacht aan geld.

Langzaam ontstond er de praktijk van de gevestigde of sedentaire landbouw. Men ging zelf gewassen telen en vee houden. En vanuit die communale economie is het feodalisme ontstaan. Bij feodalisme was geld al wel belangrijk. Maar geld had oorspronkelijk alleen een hele neutrale rol. Het vergemakkelijkte de ruil en de arbeidsdeling. De bakker en de boer konden via geld niet alleen met elkaar, maar ook met allerlei andere mensen ruilen. Het vergemakkelijken van de ruil was de essentiële betekenis van geld.

Geleidelijk aan werd de accumulatie van geld de dominante macht. Geld was geen middel om ruilen makkelijker te maken, maar het werd een doel op zich. Geld werd ergens ingestopt om nog meer geld te maken. Dat ging dan dikwijls via de materiële productie. Maar het maken van geld uit geld ging ook gewoon via het uitlenen van geld. Via een rentebetaling maakte je daar dan meer geld van. Zo is er een economie ontstaan die langzaam maar zeker volledig gedomineerd wordt door het zoeken naar hoe ik zo veel mogelijk geld kan accumuleren.

We moeten weer terug naar het meest oorspronkelijke begrip. Geld is alleen belangrijk om ruil makkelijker te maken, verder geen gezeur. En als er daarvoor meer geld nodig is, dan creëren we daarvoor geld. En als er teveel geld in omloop is, dan halen we dat eruit. Zo zou je met geld om moeten gaan. Geld moet geen doel op zich zijn. We moeten dus weer terug naar de oorspronkelijke, materiële inhoud zou ik haast zeggen, van het begrip gebruikswaarde.

 

En hoe doen we dat? Wat voor hervormingen zijn ervoor nodig om de economie te laten domineren door gebruikswaarden?

Daar is gelukkig steeds meer discussie over. Ik denk dat er verschillende gebieden zijn die je duidelijk kan aanwijzen.

  • Er moet een prijsbeleid gevoerd worden. Dat prijsbeleid moet ervoor zorgen dat prijzen een uitdrukking zijn van alle gemaakte kosten, niet alleen de gemonsetariseerde, maar ook de niet-gemonetariseerde kosten. Niet alleen de normale kosten, maar bijvoorbeeld ook de over-uitbuitingsverhoudingen. Jonge meisjes die in Bangladesh moeten gaan werken voor een habbekrats. En die kinderen in Managua, Nicaragua. Twee van die jongens die ik geïnterviewd heb, werken in een fabriekje waar ze betonijzer buigen. Ik heb het geteld, met een klokje erbij. Ze maken veertig tot zestig keer per minuut zo’n beweging waarbij ze met hun hele lichaam kracht zetten. Dat is niet gezond. Dat noem je over-uitbuiting. Dus eigenlijk zou je niet alleen het loon van die meisjes en die jongens mee moeten rekenen in de prijs van het product, maar ook wat deze kinderen tekort komen. Daar moet de samenleving bijvoorbeeld weer voorzieningen voor treffen.
  • Daarnaast moeten we een inkomensbeleid voeren wat primair gericht is op het garanderen van bestaanszekerheid. Dat kan je op allerlei manieren doen, bijvoorbeeld met een basisinkomen. Je kunt het ook doen via garanties van bepaalde concrete systemen. Ik heb in de jaren ’60 onderzoek in Cuba gedaan. Fantastisch om te zien dat een groot deel van de economie gewoon werd vertaald in de zin van gratis diensten. Waarom zou je nou met geld moeilijk doen? Er werd daar voor iedereen gratis gezondheidszorg gegarandeerd, en iedereen kreeg twee eieren per week en een nieuw paar schoenen per jaar. Daar is ook veel kritiek op mogelijk. Maar toen ik er was, was het heel erg effectief.

Er moet dus een inkomensbeleid gevoerd worden, dat op zijn minst bestaanszekerheid garandeert. Je hoeft niet alle verschillen weg te werken. Maar ik vind wel dat je ‘rijkdom moet bestrijden’, zoals dat wel eens genoemd wordt. Die herverdeling gaat ons hier in Nederland wel veel geld kosten. Ik heb daar berekeningen over gemaakt. Stel we garanderen aan iedereen in de wereld een basisinkomen van twee dollar. Die twee dollar wordt veel gebruikt, ook binnen de Wereldbank. Dat moet betaald worden door de rijken, voor een deel in die landen zelf, maar ook voor een deel door rijken in een land als Nederland. Ik heb berekend dat Nederland 2 of 3 % van het nationaal inkomen daarvoor beschikbaar zou moeten stellen. Dat is natuurlijk veel. Maar het doet ons welzijn niet verminderen.

  • Ik ben ook erg voor regionalisering. We moeten over gaan op een lokale en regionale economie. Onze asperges moeten we niet uit Peru halen, maar hier zelf verbouwen. Dat wil niet zeggen dat alles in de eigen regio voortgebracht moet worden. Maar wel belangrijke onderdelen van de noodzakelijke bestaansmiddelen als energie, voedsel, grote delen van de maakindustrie, zorg, cultuur.
  • En dan moeten we ook structurele internationale hervormingen doorvoeren die handelsliberalisatie beperken. Dus meer wat ‘managed trade’ wordt genoemd. Bijvoorbeeld prijzen corrigeren voor alle kosten en schaarsten, voedselsouvereiniteit en voedselzekerheid garanderen, en zo meer. Als je over wil gaan op een lokale en regionale economie kom je snel in strijd met de WTO- en EU-richtlijnen. Hier in Nederland is het vrijhandelsdenken zo dominant, dat er een revolutie moet ontstaan in dat denken. Dat is onafwendbaar.
  • We moeten anders rekenen. Prijzen, maar ook nationale rekeningen, moeten op een andere manier berekend worden zodat ze ook echt een uitdrukking zijn van wat er in de reële economie, ecologisch en sociaal gezien, gebeurt. Wij moeten af van de dominantie van de indicator BBP want dat geeft een volstrekt vertekend beeld van de toegevoegde waarde.[2]
  • Ook moet arbeid op een andere manier verdeeld worden. In de economie die ik me voorstel kan het toch zijn dat er veel arbeid overtollig kan worden. Nu was dat ook de oorspronkelijke verwachting van de moderne technologie. Die moderne technologie maakt de arbeid vrij. Het zorgt ervoor dat je niet meer zo hard hoeft te werken. Maar we zien het tegenovergestelde. De New Economic Foundation heeft een heel goed plan gemaakt voor een 21-urige werkweek.
  • En het consumptieniveau moet natuurlijk een stuk omlaag. Om te beginnen die consumptie die niets toevoegt aan ons welzijn, er zelfs mee in strijd kan zijn. Wij moeten toe naar realisatie van het beginsel van het Eerlijke Aarde-aandeel.

 

Hoe moeten we dat organiseren? Is dat iets wat gewoon moet ontstaan, of is dat iets waar de overheid voor moet ingrijpen?

Daarover heb ik eens een discussie gehad met Femke Halsema. Zij was natuurlijk het toppunt van het libertaire GroenLinks. Ik was het helemaal niet met haar eens. Ik zei dat we net als in de Tweede Wereld Oorlog en de periode vlak na de Oorlog, over moet gaan op bonnen, onder andere bonnen voor vlees. Dat hoeft niet voor alles hoor. Maar vlees is natuurlijk een heel belangrijk product als het gaat om CO2 uitstoot en om de ecologische voetafdruk. Het is in belangrijke mate daarvoor verantwoordelijk, en überhaupt de landbouw in het algemeen. En er moet een verbod komen op energiesystemen op basis van koolstof en gas. Voor bepaalde producten moeten dus strikte quota gesteld worden.

 

In het ‘Plan voor een duurzame en solidaire economie’[3] schrijf je samen met John Huige bijvoorbeeld over het heffen van belasting op ecologische ruimte. Wat betekent dat in concrete zin? Moet ik dan denken aan een belasting op land, zoals bijvoorbeeld de econoom Henry George dat bedacht heeft? Of moet het van de kant van de consumenten komen, door het heffen van een belasting op het product zoals het in de winkel ligt?

Ik ben er inderdaad voor om inkomstenbelasting te verminderen en meer belasting te heffen op het gebruik van ecologische ruimte, zoals op land, à la Henry George. Ik denk dat zo’n belastingstelsel per definitie al ecologisch hervormend gaat werken. Maar het gaat natuurlijk niet alleen over land. Het gaat om prijsbeleid in het algemeen. Voor een deel kan je dat reguleren door belastingen. Maar het gaat natuurlijk ook over de prijs van arbeid ten opzichte van de prijs van allerlei producten. Prijs-setting wordt onvermijdelijk.

Het verbaast me dat niemand het in onze tijd heeft over de periode direct na de Tweede Wereldoorlog. Toen zijn er verschillende dingen uitgedacht en toegepast waar we vandaag de dag van kunnen leren. Er is toen heel lang een loon- en prijsbeleid geweest. Die werden aan elkaar gekoppeld. Er werden vrij rigide prijzen vastgesteld. En als de regering tot de conclusie kwam dat de prijs van brood verhoogd moest worden met twee procent of verlaagd moest worden, dan gebeurde dat. En daar lag dan een beredenering onder. Geen beredenering over de marktprijs, maar een beredenering over het verhogen van de effectiviteit van de landbouw en dergelijke kwesties. En hetzelfde gebeurde ook met lonen. De vakbeweging heeft daar nog lang aan meegewerkt, tot in de jaren ’60. Er zijn in die periode dus hele goede ervaringen opgedaan met een loon- en prijsbeleid. Op diezelfde manier kan de overheid de prijzen vaststellen voor bepaalde producten, aan de hand van de ecologische ruimte en de sociale kosten die er nodig zijn voor de productie ervan.

 

Dus de gebruikswaarde van een product kan bepaald worden door heel veel verschillende aspecten. Maar wanneer heeft iets gebruikswaarde? Iets lijkt mij nuttig als het goed is voor de samenleving, en destructief als het slecht is. Als ik je verhaal interpreteer dan lijkt het alsof je wil zeggen dat iets gebruikswaarde heeft en dus economische waarde moet hebben, als het moreel goed is en dat iets kosten met zich meebrengt als het slecht is. Zou economische waarde en gebruikswaarde uiteindelijk afgemeten moeten worden aan morele waarde?

Nee, voor mij heeft gebruikswaarde een amorele betekenis. Je moet gebruikswaarde zien in de zin van bronnen van een bestaan en in de zin van doelen waar we naar streven. Grond is een bron van bestaan. Je hebt grond nodig om aardappels te verbouwen. En daar kunnen we dan van eten. In die zin spreek ik over gebruikswaarde. Het is dus een heel breed en ook een heel neutraal begrip. Het morele komt wel om de hoek als je het hebt over hoe we met die gebruikswaarde om moeten gaan. En dan zie je dat economie duidelijk geleid wordt door bepaalde principes. Dat gebeurt nu ook. Onze huidige economie wordt geleid door het winstprincipe om het even heel gemakkelijk samen te vatten. Maar het moet geleid worden door principes als duurzaamheid en rechtvaardigheid. Op zijn minst moet het ecosysteem zich volledig kunnen herstellen. Op die manier moet je daarmee omgaan. En dat geldt ook voor mensen. Op zijn minst moeten mensen zich volledig kunnen reproduceren.

Daarnaast kun je gebruikswaarden ook zien in de zin van doelen waarnaar we streven. We streven ernaar dat alle kinderen een opleiding kunnen krijgen op school en dat mensen voldoende eten hebben en gezellig met elkaar omgaan. Dus gebruikswaarde heeft een neutrale betekenis, maar we gaan daarmee om volgens bepaalde principes. En dat moeten in ieder geval principes van duurzaamheid en solidariteit zijn. Maar ook andere principes zijn belangrijk.

 

Het Potentieel

Laten we kijken naar het potentieel voor verandering. In welke sociale bewegingen, wetten, partijen of organisaties in Nederland heb jij veel vertrouwen?

Dat vind ik een ontzettend moeilijke vraag. En dat heeft ook te maken met het feit dat de crisis nog niet volledig doortrokken is. Het wordt nog erger. Er zal een verdieping van de crisis plaats vinden. Bovendien is ons leven enorm kwetsbaar geworden. Een paar hackers kunnen ons hele bankwezen platleggen. Alles is dan onzeker: voedsel, energie, gas. We kunnen zomaar voor een groot deel afhankelijk worden van Russisch gas. En als meneer Poetin de kraan dichtdraait hebben we een groot probleem.

Dus we hebben het over een crisis die nog niet helemaal van de grond is gekomen. En als je me dan vraag naar sociale bewegingen die er toe doen, dan moet je kijken hoe sociale conflicten zich gaan ontwikkelen. In de jaren ’40 en ‘50 zei men dat de wereld de fascistische kant uit kan gaan of de socialistische kant. Het kan beide kanten uit. Tegenwoordig kan je de zaken niet meer in zo’n simpele dichotomie samenvatten. Toch kan het verschillende kanten op gaan.

Als het gaat om welke sociale bewegingen van nu het meest potentieel hebben, dan is er één groot probleem, namelijk dat veel sociale bewegingen zichzelf die vraag nog niet stellen. Zolang ze dat niet doen stellen ze politiek gezien niet veel voor. Sommige bewegingen doen dat wel hoor. Ik heb bijvoorbeeld contact met Milieudefensie. Daar zijn ze echt wel bezig met vragen van politieke machtsvorming. De vakbeweging is wat dat betreft natuurlijk een oude rot. Je kunt veel kritiek hebben op de vakbeweging, maar ze hebben wel veel ervaring hoe je de strijd voor loontrekkenden kan koppelen aan de machtsvorming, en daar ook politieke standpunten aan kan verbinden. Maar het gros van de sociale bewegingen doen daar te weinig mee.

Ik wil niks afdoen aan het enthousiasme waarmee men bezig is met nieuwe modellen van landbouw, van moestuintjes in de stad, van gemeenschappelijke vormen van huisvesting voor bejaarden, enz. Die bewegingen zijn echt belangrijk en ik vind dat oprecht fantastisch. Daarin zie je al veel elementen van een nieuwe samenleving gebaseerd op gebruikswaarden. Dat zit er allemaal in. Maar het wordt niet politiek gemaakt.En dat betekent dat als de crisis zich echt gaat verdiepen (en naar mijn idee is dat onafwendbaar) dan moet je partij kunnen zijn. En nog niet eens zozeer in de politieke zin van dat woord.

 

Wat hebben we dan wel nodig?

Organisatie. Als sociale beweging moet je goed organiseren om sterk te worden. En je moet als organisatie kijken naar de machtsverhoudingen in de samenleving en daarop inspelen.

Net als in de begintijd van de coöperatiebeweging hier in Brabant en in veel historische ontwikkelingen van boerenbewegingen in de negentiende en twintigste eeuw. Die hadden te maken met grootgrondbezitters. Ze begrepen heel goed dat ze zich moesten organiseren omdat ze per definitie ruzie zouden krijgen. Dat besef moeten we weer terugkrijgen. We denken vaak dat als we ons huis helemaal energieneutraal maken, dat we er dan zijn. Maar het energieneutraal maken van huizen betekent dat je ruzie kan krijgen met de grote energiemaatschappijen. Die grote maatschappijen weten op de een of andere manier te regelen dat als jij zonne-energie hebt op je dak, dat die energie naar het grote net gaat. Als je toch probeert die energie voor jezelf te houden, zullen de grote energiemaatschappijen niet enthousiast zijn. En dat conflict moet je vervolgens aankunnen.

Ook natuurwinkels hebben een machtsprobleem. Zij worden steeds meer onderdeel van de grote ondernemingen en supermarkten. De individuele winkelier wordt een franchise winkel, waarmee ze een deel van hun onafhankelijkheid verliezen. Als sociale beweging moet je op zijn minst partij zijn ten opzichte van de bestaande economische machten. Sociale bewegingen moeten ook politieke bewegingen zijn. En politiek gebruik ik dan in de essentiële zin van het woord. Politiek gaat over de vorming en aanwending van macht. Een vakbeweging is ook een politieke organisatie. Een beweging van ondernemers is ook een politieke organisatie. En beide gebruiken die macht ook. Dat moeten we bij de sociale alternatieve bewegingen ook doen.

Want een dergelijke machtsstrijd kan alle vormen aannemen. Er hoeft geen openlijk geweld aan te pas komen. Maar het kan ook plaats vinden via bepaalde marktprocessen, zoals de prijzenslag tussen Albert Heijn en Jumbo. Albert Heijn gaat even flink onder de marktprijs zitten. En dan moet je maar zien hoe je je daartegen weert.

En je kunt ook denken aan een juridische strijd. Misschien komen er dadelijk onder invloed van lobbyisten veel voorschriften waar de kleine biologische boer niet aan kan voldoen. Dan moet je die juridische strijd aankunnen. Of opeens neemt een grote onderneming een patent op bijvoorbeeld basmati rijst. Lokale vrouwen hebben die hele gezonde en lekkere rijst ontwikkeld. En daar hebben ondernemingen even op een sluwe manier een patent op genomen. Dat soort vormen van strijd kunnen zich allemaal voordoen.

En, nogmaals, ik wil niks denigrerends zeggen. Ik heb heel veel bewondering voor bijvoorbeeld een organisatie als Omslag in Eindhoven. Als je ziet wat mensen daar allemaal doen, dat is echt fantastisch. Als dat allemaal echt groot wordt dan ontstaat daaruit een beweging van grote betekenis.

 

Uit je betoog krijg ik het gevoel dat er heel veel moet gebeuren. Ben je optimistisch of pessimistisch?

Daar heb ik geen verwachtingen over. We moeten gewoon ons best doen en slim zijn. Want ja, je kunt heel pessimistisch zijn. Als de crisis zich echt gaat verdiepen, komen er allemaal krachten los waar je geen idee van hebt welke kant dat allemaal op kan gaan. Aan de andere kant maakt diezelfde crisis het evident dat er iets moet veranderen. ‘Als ik maar te eten heb’, zullen veel mensen zeggen. ‘Als ik maar gezond ben. Als mijn kinderen maar naar school kunnen gaan.’ Dan begint er op een hele concrete manier iets van een gebruikswaarde-economie te ontstaan. Die is overigens nooit weg geweest, maar die begint dan weer te groeien.

Een samenleving is nooit langdurig volledig feodaal, volledig communaal, of volledig kapitalistisch. Het is altijd een mengvorm in de praktijk. Dus er is al het een en ander gaande. Maar we bevinden ons nu in een tijd waarin het neoliberalisme domineert. En voor een overgang is het nodig om het duurzame en solidaire van een gebruikswaarde-economie te versterken. Het moet die kant op.

 

[1] Blanken, P. den en L. Keune (2013), “Mijn moeder was een echte strijder” – Ivania Brooks Torres 1973-2006. Breda: Uitgeverij Papieren Tijger

[2] Keune, L. e.a. (2012), Beter meten van welvaart en welzijn – Indicatoren voor een duurzame en solidaire economie. Platform DSE: http://www.platformdse.org/wp-content/uploads/Brochure-Beter-Meten-van-Welvaart-en-Welzijn_PDSE_2012.pdf. Zie ook Petitie aan de Tweede Kamer betreffende de inrichting van de Macro Economische Verkenning (Oktober 2013). Platform DSE http://www.platformdse.org/wp-content/uploads/Verzoek-aan-de-Tweede-Kamer_MEV.pdf

[3] Huige, J. en L. Keune (2011), Plan voor een Duurzame en Solidaire Economie in Nederland. Utrecht: Uitgeverij Jan van Arkel .

This entry was posted in Artikelen. Bookmark the permalink.

Comments are closed.